 |
Krishna
Autar |
De docent van morgen is niet de docent van gisteren
Dames en heren,
Ik wil aan het begin van mijn verhaal de Faculteit Educatieve
Opleidingen van harte geluk wensen met de instelling van het
lectoraat Lesgeven in de multiculturele school. Voor zover
ik heb kunnen nagaan is dit het eerste lectoraat dat uitsluitend
de veranderde schoolbevolking expliciet tot onderwerp heeft.
Het werd tijd dat dat gebeurde. Het is inmiddels geen nieuws
meer dat scholen in de randstad voor ruim 50% worden bevolkt door
leerlingen van wie minstens één van de beide ouders niet in
Nederland geboren is. De veranderende schoolpopulatie vraagt om
docenten die op deze situatie goed zijn voorbereid. De praktijk
leert echter dat die voorbereiding op tal van punten onvoldoende
is. Als we voor het gemak even veronderstellen dat de
lerarenopleidingen de studenten wel voldoende voorbereiden op
lesgeven in etnisch homogene, laten we zeggen 'witte' scholen, dan
stellen we daarmee tegelijk ook vast dat die studenten andere of
extra docentvaardigheden dienen te verwerven om ook adequaat les
te kunnen geven aan etnisch heterogene scholen.
Welke extra docentvaardigheden zijn dan wel gewenst om op
etnisch-heterogene scholen goed te kunnen functioneren? Op deze
scholen zijn de kinderen in velerlei opzichten verschillend van
elkaar. Ze hebben verschillende culturele en talige achtergronden;
hun leef- en belevingswereld kunnen verschillen. Hun ouders
benadrukken andere opvoedingsdoelen dan docenten prefereren.
Sommige van de ouders benadrukken de schoolprestaties, terwijl
andere ouders respect voor ouderen en gehoorzaamheid veel
belangrijker vinden. Er zijn ook groepen ouders die de autonomie
van hun kind belangrijker vinden dan de andere opvoedingsdoelen.
Thuis kan de opvoeding ook verschillen, dat wil zeggen: er zullen
vaak aanzienlijke verschillen zijn in de manieren waarop ouders
kinderen disciplineren.
Kortom, de kinderen in etnisch heterogene scholen
brengen verschillende ervaringen en achtergronden mee, en het is
langzamerhand duidelijk geworden dat die onderlinge verschillen
anders en ingrijpender zijn dan de verschillen die docenten op
'witte' scholen bij hun 'witte' leerlingen waarnemen. Hoe gaan
docenten om met dit gegeven? Hoe betrekken ze de verschillende
achtergronden en ervaringswerelden bij de les om het maximale
rendement eruit te halen? Moeten ze de verschillen benoemen als
iets positiefs waar iedereen baat bij kan hebben, praten ze erover
als een zware belasting, of leggen ze juist het accent op de
overeenkomsten tussen de verschillende ervaringen?
En er zijn daar nog talloze andere, diepergravende vragen bij
te stellen. Allemaal vragen die om antwoorden vragen. Er is niets
op tegen als uit die antwoorden grote verschillen tussen scholen
of binnen docententeams blijken. Ik heb zelf geen fobie voor
cultuurverschillen en ik geloof dat niemand iets opschiet met zo'n
fobie. Cultuurverschillen bestaan hoe dan ook, fobie of niet, ook
tussen scholen en tussen individuele docenten. Het zou wel goed
zijn als die vragen 'ns een keertje gesteld werden, in scholen,
onder docenten, en zeker ook op lerarenopleidingen, door docenten
onderling, door studenten onderling en zeker ook door studenten
aan docenten.
Een ander punt dat ik onder uw aandacht wil brengen is de rol
van ouders. Voor mij spelen ouders een onmiskenbare rol bij de
schoolloopbaan van hun kinderen. Wie heeft u leren praten, lopen,
fietsen, tafelen, groeten, en al die andere dingen bijgebracht die
onmisbaar zijn om in de samenleving en dus ook in de school te
kunnen functioneren? Ik hoor u al zeggen: ouders.
Ouders hebben dus niet alleen een zorgtaak maar zorgen ook
ervoor dat kinderen voorbereid worden op het schoolse leren. Dat
staat als een paal boven water, maar toch worden ouders genegeerd
door beleidmakers, wetenschappers, opleiders, schoolbesturen en
scholen. Leraren worden niet of nauwelijks voorbereid op
communiceren en samenwerken met ouders. Dat is heel merkwaardig
omdat zij een van de drie partijen zijn die betrokken zijn bij het
dagelijks onderwijs: leerlingen, leraren en ouders.
Scholen signaleren dat ze veel ouders niet goed kunnen
bereiken. Als je ze niet kunt bereiken dan kom je ook niet tot
samenwerken. Opleidingen doen er goed aan om structureel in het
programma aandacht te besteden aan de relatie school en ouders,
waarbij vier vragen centraal dienen te staan:
- hoe kun je ouders bereiken?
- wat ga je met ouders doen als je ze bereikt hebt en
- hoe ga je de relatie met ouders onderhouden en voortzetten?
- wat wil je hiermee bereiken?
Docenten hebben daarvoor aanvullende kennis en vaardigheden
nodig, èn vooral een andere houding. Leraren moeten accepteren,
dat ouders al ongelooflijk veel en ongelooflijk goed werk hebben
verricht als een kind bij een leerkracht in de klas terecht komt.
Ik denk niet dat ouders daar erkenning of dankbaarheid voor
willen; maar ouders willen in ieder geval niet dat het werk
dat zij met hun kind verricht hebben en trouwens nog verrichten,
gebagatelliseerd of genegeerd, of nog erger, ondermijnd wordt.
Ouders willen serieus genomen worden. Ze zijn de eerste en
belangrijkste onderwijzers van hun kinderen. Tevens willen ze dat
leraren hun kostbaarste bezit niet alleen zien als een dubbeltje
dat nooit kwartje zal worden, zoals helaas nog steeds ontelbare
leerkrachten de zogenaamde allochtone leerlingen zien.
Interessant is het ook eens te kijken naar tijd die kinderen op
school en thuis doorbrengen. Een goede rekensom leert dat kinderen
in de leerplichtige leeftijd voor slechts 12 à 13 procent van de
tijd op school zitten. De rest van de tijd zijn ze thuis of
buiten, vaak onder leeftijdgenoten zonder direct toezicht
of sturing van een volwassene. Het is vanzelfsprekend dat die
kinderen daar ook leren. Dat zijn dan wellicht zaken die niet in
het reguliere curriculum van het funderend onderwijs zijn
opgenomen, maar misschien moeten we daar dan over zeggen dat dat
spijtig genoeg is. Kinderen leren buiten de school heel veel
vaardigheden en kwaliteiten die voor hun toekomst van belang zijn
en die ze op school zelden bijgebracht worden, of zelfs: die ze op
school afgeleerd worden: volharding, saamhorigheid, initiatief
nemen, zelfstandigheid, creativiteit, dingen durven, enzovoort.
Er zijn dus drie aspecten in het beroep van de leraar die in de
multiculturele school van belang zijn: de verschillen tussen
leerlingen, de rol en de inbreng van ouders, het bereik van het
leren op school in relatie tot het leren buiten school. Het zal u
opvallen dat die drie aspecten eigenlijk helemaal niets
uitzonderlijks zijn in het beroep van een leraar op elke
school.
Om mijn verhaal levendig te maken zal ik in het vervolg het
verdere verloop ervan illustreren met enkele voorbeelden. Daarbij
moet u zich voortdurend afvragen hoe docenten hiermee om zouden
moeten gaan. Als u nog tijd overhoudt bij het denken daarover, zou
u zich kunnen afvragen in hoeverre deze praktijkvoorbeelden
wezenlijk verschillend zouden zijn als ze zich zouden afspelen in
een volledig 'wit' milieu.
Voorbeeld 1
Een docent wiskunde uit Brabant komt te werken in Den Haag op
een brede scholengemeenschap. Hij is mondeling en schriftelijk
uitgenodigd op een feest van een hindoestaanse leerling. Op de
uitnodiging stond dat het feestje om 19.00 uur zal beginnen, in
een partycentrum. Hij besluit om naar het feestje te gaan. Hij
dacht zo kom ik in contact met de familie van de leerling en word
ik in de gelegenheid gesteld kennis te maken met andere culturele
gebruiken. Met zijn beste pak aan is hij om stipt zeven uur bij
het partycentrum. De zaal is mooi versierd maar tot zijn verbazing
ontdekt hij dat niemand van de familie aanwezig is in de zaal, ook
de leerling niet. Hij kijkt nogmaals op de uitnodigingskaart. Daar
staat dat het feestje begint om 19.00 uur en duurt tot 02.00 uur.
Hij besluit toch maar te wachten. De eerste gasten kwamen pas om
21.00 uur.
Wat ging hier mis? Was de docent goed voorbereid op de wijze
waarop deze mensen omgaan met tijd? Heeft hij zich van te voren
georiënteerd op de gebruiken van de familie? Als hij dat had
gedaan, dan had hij zich zeker gerealiseerd dat Europeanen ooit de
klok hebben uitgevonden maar de rest van de wereld heeft de tijd.
Voorbeeld 2
Een Antilliaanse familie woont sinds een jaar in Nederland. De
ouders zijn goed opgeleid. Ze plaatsen hun kind op een school in
de buurt. De ouders constateren dat het kind niet goed kan
meekomen op school. De moeder wijt het aan de softe aanpak van de
leraren in Nederland. Ze brengt de leerling naar een strenge
school waar de leerlingen harder moeten werken en veel huiswerk
krijgen. Het kind blijkt daar ineens goede leerresultaten te
halen.
Wat is hier aan de hand? Voor elke school is dit een dilemma.
Houd je je aan je eigen pedagogisch concept of ga je de
didactische en pedagogische aanpak afstemmen op de wensen van de
ouders? Leraren worden dagelijks met zulke dilemma’s
geconfronteerd en ze weten niet hoe ze hiermee om moeten gaan
Voorbeeld 3
Een Turkse jongen in de bovenbouw van het basisonderwijs wil
niet naast een meisje zitten. Hij wil ook niet samenwerken met
meisjes in de klas. De juf vraagt aan hem waarom hij niet naast
Johanna wil zitten. Hij antwoordt dat dat niet mag van zijn vader.
De juf besluit op huisbezoek te gaan. Zij wordt door de ouders
hartelijk verwelkomd met eten en drinken. Tijdens het gesprek komt
zij erachter dat de ouders andere opvattingen hebben over
opvoeding van meisjes en jongens dan zij zelf heeft. Ze heeft de
ouders kunnen inlichten hoe de school denkt over de opvoeding van
jongens en meisjes. Na een lang gesprek zijn de ouders
uiteindelijk ervan overtuigd dat de opvoeding op school ook goed
is voor de toekomst van Murat.
Wat heeft deze leerkracht meer in huis dan andere leerkrachten?
Interesse in andere culturen, overtuigingskracht en een dosis open
houding hebben de schooljuf waarschijnlijk geholpen de
pedagogische werelden tot elkaar te brengen.
Dames en heren
Tot slot. Moet de docent van morgen aan hetzelfde profiel
voldoen als de docent van gisteren? Wat ontbreekt bij de docent
van gisteren? Zijn de eisen aan docenten in een multiculturele
school niet wezenlijk de eisen die aan goede docenten gesteld
moeten worden. En waar komen die eisen vandaan? Ik hoop dat in de
komende tijd het lectoraat Lesgeven in de multiculturele school
een antwoord heeft op al deze vragen. Ik geef daarom nu het woord
aan Maaike Hajer om ons daar haar visie op te geven.
Krishna Autar