 |
|
Lies Baerts |
Het is dinsdagmorgen vroeg, half oktober 2005. Ik sta in de lift, die mij naar de zevende verdieping brengt van een groot gebouw, waarin het ROC gevestigd is.
Ik ben er docente. Gelijk met mij is een meisje ingestapt, dat de last van de wereld op zich lijkt te hebben genomen. Met veel misbaar geeuwt ze.
Ik kijk haar aan en zie dat zij flinke kringen onder haar ogen heeft. Prompt krijg ik moederlijke neigingen en vraag haar: “Heb je wel genoeg geslapen vannacht?”
Nee, het slapen is het niet, het is het vasten en het ritme pas weer te mogen eten en drinken als de zon onder is. “Maar ja” zucht zij “het moet van mijn geloof hè?”
Daar valt niet tegenop te relativeren. Ik onderdruk dan ook een exposé over het verschil tussen een geloof en de cultureel bepaalde regels, die dat geloof omkleden, tussen moeten en willen, tussen vasten als religieuze – zo men wil spirituele – beleving en vasten als sociaal gebeuren, en wens haar kracht toe om de Ramadan tot een goed einde te brengen.
Intussen ben ik voor de zoveelste keer ten prooi aan het enerzijds anderzijds van mijn eigen positie en gaat de trein van mijn associaties rijden.
Hoe zou het zijn om in een gemeenschap, waar geloof en regels met elkaar samenhangen, te leven, terwijl het land waarin je woont, datzelfde geloof van binnenuit niet kent en het moeten van het wèl bekende christelijke geloof massaal heeft losgelaten?
Vind je dan geborgenheid? Of ervaar je jezelf dan juist sterker als de ‘ander’ en versterkt het je gevoel van onveiligheid in de ‘grote boze buitenwereld’?
Ik denk aan mijn eigen jeugd. Hoe jaloers was ik op de rooms katholieke kinderen uit de straat! Zij hoorden ergens bij en wisten precies wat zij moesten doen in processies, bij ‘het lof’ of op zondag. In het zuid Limburg van mijn jeugd was alles maar dan ook alles verweven met de katholieke kerk. Openbare scholen waren er niet. Dus gingen wij samen met de katholieke kinderen uit het woonwagenkamp, de kinderen uit socialistische en communistische families, de joodse kinderen en de kinderen die ‘niks’ waren naar de protestants christelijke lagere school.
Op onze school zaten ‘de anderen’. Hadden wij dat in de gaten? Ja, omdat we ons sterk bewust waren van ons ‘anders’ zijn. Nee, omdat de school een vrijhaven was, een plaats waar we tegelijkertijd juist helemaal niet anders waren: in ons anders zijn waren we immers gelijk? Iedereen kon er gedijen. Er werd natuurlijk wel aan het protestantse geloof gedaan, maar ook weer niet zoveel, dat je je buitengesloten voelde als je familie er niet aan deed. In tegendeel. De meester vertelde met schitterogen over Domela Nieuwenhuis en in de hoogste klassen lazen we Saidja en Adinda uit ‘Max Havelaar’. Soms kwam de vrouw van de meester in kleurrijke kleren op school om over Suriname te vertellen – zij kwam er vandaan.
De problemen ontstonden pas buiten de veiligheid van de school. Als we de AJC (de socialistische jeugdvereniging) uitkwamen werden we bijna altijd opgewacht door een groepje jongens, dat riep: Protestantse apen Liggen in bed te gapen, Denken niet aan god, Maar aan de pispot.
Als er een processie langskwam, moest je niet te lang blijven kijken, want het zou kunnen zijn, dat iedereen opeens ging knielen en dan viel je zo ontzettend op.
En je moest nooit maar dan ook nooit in het ziekenhuis terecht komen.
Helaas overkwam dat mij. Ik lag op een meisjeszaal.
Er werd vijf maal per dag gebeden, tot God en Maria. Nonnen waakten streng over ons. Op een avond was er een kind, dat vroeg hoe het zat met beschermengelen.
“Er zit er één aan het voeteneind van je bed”, antwoordde de dienstdoende non.
“Altijd?”
Ik weet zeker, dat als de meester katholiek was geweest, dat hij geantwoord had: “Ja, altijd.” Maar deze non antwoordde: “Niet altijd, hij zit er alleen maar als je genoeg bidt.”
Had ik aanvankelijk gedacht, dat de engel er voor mij niet inzat, omdat ik van verschillende niet-katholieke geloven was (mijn vader doopsgezind, mijn moeder ‘niks’), het bidden zou wellicht voor mij toch een engel brengen.
Ik leerde in no-time dus alle noodzakelijke gebeden, zelfs zo goed, dat ik op een avond vóór mocht bidden. Enfin, ik werd ontmaskerd. Bidden voor een engel, OK, maar vóórbidden? Ik moest bekennen, dat ik niet katholiek was en dat ik niet vóór kon bidden. De hele zaal richtte zijn ogen op mij. Voor mijn gevoel lag ik eruit.
Terug naar het heden.
Denkend aan het meisje, hoop ik dat ze zich op onze school net zo gekend voelt als ik op mijn oude lagere school. Dat onze school voor haar de stap naar de grotere samenleving gemakkelijker maakt. Dat ze de ruimte op onze school krijgt om te zijn wie ze is. En dat, mocht ze die ruimte ervaren, ze die ook aan zichzelf en anderen leert geven.
Ongetwijfeld zal haar geloofsgemeenschap haar equivalenten van de nare non uit mijn jeugd kennen. Ik hoop, dat ze hun het hoofd zal leren bieden, zonder de geborgenheid van het collectieve op te hoeven geven. Misschien zal ze op een dag de vrijheid ervaren om te zeggen:”Ik wil vasten.”
Ongetwijfeld zal zij ook in de ‘grote boze buitenwereld’ mensen tegenkomen, die buitensluiten: “Nee, geen hoofddoeken hier”. Oh, wat droom ik ervan, dat zij dan de eer aan zichzelf houdt en zegt: “Wat jammer voor u, ik ben een goed en kundig mens, die wat te bieden heeft. Die gaat u nu missen”.
Ik hoop, dat ze op een dag niet meer bang zal zijn.
Lies Baerts, geboren in 1946.
Meer columns