 |
|
Rubina Boasman
|
Nicky Janssen is een Nederlandse jongen van 25 jaar. Hij kent de meeste
Europese landen, maar is nooit in een tropisch land geweest. De laatste tijd
merkt Nicky op dat mensen hem steeds vaker vragen waar hij vandaan komt.
Hij
vindt het vervelend. Aan iedereen moet hij uitleggen dat hij uit Nederland komt.
Waarom willen ze niet begrijpen dat hij Nederlands is,
ook al is hij zwart.
Nicky Janssen is een fictief persoon, maar zijn geschiedenis is bekend. Veel
derde- en vierdegeneratie jongeren krijgen vaak dezelfde vraag.
Ze zijn
geïntegreerd, spreken Nederlands, hebben Nederlandse vrienden met een Molukse,
Griekse en Friese achtergrond. Hun ouders zijn naar Nederland gekomen om een
toekomst voor hen op te bouwen. Deze jongeren voelen zich thuis in Nederland.
Stel dat Nicky een Antilliaanse jongen was die sinds twee jaar in Nederland
studeert. Hij is actief in de studentenverenigingen gaat graag uit met zijn
vrienden. In de zomer gaat Nicky meestal naar Curaçao waar zijn ouders wonen
met zijn twee zusters.
Zou men anders omgaan met deze Nicky?
Ze zijn beide geïntegreerd in de Nederlandse samenleving; ze spreken de
taal. Ze studeren of werken. Ze zijn altijd stipt op tijd, zijn ijverig en niet
luidruchtig.
Ze hebben gedragskenmerken die vaak alleen worden toebedeeld aan
Nederlanders, maar toch worden ze constant als 'anders' beschouwd.
Soms worden
ze vanwege hun huidskleur slachtoffer van racistisch gedrag.
Het debat over inburgeringsbeleid is in volle gang, n.a.v. het
kabinetsvoorstel omtrent een hardere aanpak van migranten en het verplichten van
het Nederlands als spreektaal. Nieuwkomers moeten verplicht een cursus Nederlands gaan volgen volgens het
voorgestane beleid.
Maar is taal wel het belangrijkste integratiemiddel?
Ik ben bang dat in de discussie over taal twee aspecten van taal door elkaar
worden gehaald: taal als middel om te communiceren en taal als middel om actief
te kunnen participeren in de samenleving. Voorwaarde voor het zich verwerven van
een plaats in de Nederlandse samenleving is de acceptatie van allochtonen door
de autochtone bevolking.
Het niet accepteren van allochtonen heeft tot gevolg dat men zich meer op de
eigen groep gaat richten; het zichtbaar accepteren van allochtonen, bijvoorbeeld
door het vervullen van zichtbare functies in de maatschappij, werkt stimulerend
voor zowel de allochtonen als autochtonen. Integratie valt niet af te dwingen of te regelen het is een autonoom proces.
Goed overheidsbeleid is een voorwaarde voor integratie.
Goede communicatie, in de Nederlandse taal, is belangrijk. Taal is weliswaar
belangrijk, maar is niet het enig belangrijke. Het moet geen barrière vormen
voor integratie. Het sociale aspect is echter net zo belangrijk als taal. De
overheid moet dit ook meenemen in de discussie. Ook het krijgen van werk is
belangrijk evenals interculturalisatie binnen instellingen. Hierin zou de
overheid een voorbeeldfunctie voor het bedrijfsleven kunnen vervullen.
De inburgeringsdiscussie is een zaak voor de Nederlandse samenleving in zijn
geheel. Inburgering is in wezen een probleem van etnische minderheidsgroepen en
autochtone Nederlanders. In de discussie wordt zeer sterk de nadruk gelegd op de
verschillen tussen de bevolkingsgroepen. Behoud van eigen culturele waarden
staat daarbij terecht hoog in het vaandel. Dit leidt ertoe dat er veel aandacht
is voor het eigene, zo veel zelfs dat de verschillen belangrijker lijken dan de
overeenkomsten.
Het belangrijkste gemeenschappelijke belang is het bestrijden van de negatieve
tendens. Er wonen mensen in Nederland, die allemaal plezierig willen leven. Dit
houdt naast nemen ook geven in.
Wordt de discussie anders wanneer het vergroten van kansen en perspectieven
van nieuwkomers uitgangspunt is voor het integratiebeleid?
Ik denk dat we, op de manier waarop de discussie wordt gevoerd, uit het oog
verliezen waar het om gaat: het opleiden van jongeren en het onderwijs aan
kinderen, de leiders van morgen.
Nederland wil, net als elk ander land, een
hoogopgeleide beroepsbevolking die een bijdrage kan leveren aan deze
samenleving. De achtergrond en kleur van de beroepsbevolking doen eigenlijk niet
ter zake. Deze leiders zullen in staat moeten zijn om de samenleving te
besturen. Maatschappelijke problemen moeten tot hun werkelijke proporties worden
teruggebracht en er moet oog zijn voor probleemgroepen en hun isolement.
De leviathan is een vreemdeling, heeft een ander geloof, spreekt Nederlands met
een accent en draagt andere kleding. Daardoor is de vreemdeling gevaarlijk en
moeten we er bang voor zijn. Als samenleving moeten we voorkomen dat angst wordt aangepraat, en dat men een
nieuw, niet bestaand, leviathan ziet ontstaan.
Het gaat om de kinderen. Zij willen leren en kansen verwerven.
Het gaat erom kinderen te kunnen laten kiezen, hen bewust te maken van het feit
dat ze dromen mogen hebben en hen de kans te geven deze dromen met inzet van hun
kant te kunnen waarmaken. Ik heb een droom voor onze kinderen: autochtone en
allochtone kinderen onder de hoede van een veelkleurig team, in een veilige
leeromgeving die herkenbaar en tegelijkertijd toegankelijk is voor allemaal,
waardoor allochtonen en autochtonen vanuit ervaring met elkaar kunnen zorgen
voor een betere inrichting van de samenleving van morgen.
Bij een multiculturele
samenleving past een multiculturele school en bij zo'n multiculturele school
past multicultureel onderwijs met een multicultureel team.
Daarom is het niet mogelijk om nieuwkomers te laten inburgeren zonder
acceptatie. Acceptatie en integratie moeten samengaan
Meer columns
|