 |
Anette de Ruiter |
Volgens de Onderwijsraad mogen openbare scholen leerlingen
weigeren. De Raad maakte dat bekend bij de presentatie van
haar pas verschenen onderzoek naar artikel 23 van de grondwet
waarin de vrijheid van onderwijs is geregeld. De Rotterdamse
wethouder van onderwijs Van der Tak speelde hier gelijk
op in. Hij vindt dat zwarte, kansarme leerlingen verdeeld
moeten worden over witte, kansrijke scholen. Van der Tak
haalt hiermee een oud idee van stal.
De belangrijkste oorzaak van het ontstaan van zwarte scholen
is de ruimtelijke segregatie van Nederland. Allochtonen
zijn vooral geconcentreerd in bepaalde stadswijken en het
is bijna onvermijdelijk dat de scholen in deze buurten zwart
zijn. De meeste zwarte scholen bevinden zich in de grote
steden, waar rond de helft van alle leerlingen allochtoon
is. Scholen met meer dan 50 procent allochtonen zijn hier
dan ook bijna onvermijdelijk en dit heeft weinig met schoolbeleid
van doen.
Van der Tak en andere voorstanders van spreidingsbeleid
zijn ervan overtuigd dat de prestaties van allochtone leerlingen
aanzienlijk verbeteren op witte scholen in een andere wijk.
Er zijn echter ook onderzoeksgegevens die aangeven dat allochtone
leerlingen op een witte school niet beter presteren dan
allochtone leerlingen op een zwarte school. Misschien moet
het slechte imago van zwarte scholen bijgesteld worden.
Er zijn goede en slechte zwarte scholen, zoals er ook goede
en slechte witte scholen zijn. 'Zwart' en 'kwaliteit' kunnen
binnen het onderwijs wel degelijk samengaan.
De etnische segregatie in het onderwijs is in Nederland
groter dan op grond van de ruimtelijke segregatie verklaard
kan worden. Dit heeft te maken met een andere belangrijke
factor voor het ontstaan van zwarte scholen: het verschijnsel
witte vlucht. Autochtone Nederlanders sturen hun kinderen
niet meer naar scholen die dreigen zwart te worden of al
zwart zijn. Wanneer er keuzemogelijkheid is, is er een uitgesproken
voorkeur voor een witte school. Met name hoogopgeleide autochtone
ouders kiezen voor witte scholen omdat "zij willen
dat hun kind tussen 'ons soort mensen' in de schoolbanken
zit". Overigens oriënteren ook allochtone ouders
zich steeds beter op de onderwijsmarkt. Uit een onlangs
gepubliceerd rapport van het SCO Kohnstamm Instituut blijkt
dat zij een uitgesproken voorkeur hebben voor gemengde scholen.
Door gebruik te maken van hun keuzevrijheid kan op deze
wijze segregatie worden tegengegaan, zelfs zonder overheidsbeleid,
maar dat is dan wel een perspectief voor de lange termijn
Volgens het rapport van de Onderwijsraad blijkt de veronderstelling
onjuist dat het bijzonder onderwijs naar hartelust kinderen
weigert. Maar elke school is er één teveel.
In de praktijk bestaan er meer drempels voor zwarte ouders
en leerlingen dan de Raad beweert. Hoe is het anders te
verklaren dat openbare bijzondere scholen, met montessori-,
jenaplanonderwijs en van schoolverenigingen als overwegend
witte scholen in bijvoorbeeld het centrum van Rotterdam
staan. Het toelatingsbeleid en het imago van deze scholen
speelt hierbij een rol. Zij hebben een elitaire aantrekkingskracht.
Barrières als lange wachtlijsten of een hoge ouderbijdrage
zijn drempels die het verder moeilijk maken voor allochtone
kinderen om op deze scholen te komen.
Religieuze scholen worden in juridisch opzicht beperkt
in hun recht om leerlingen te weigeren en in de praktijk
blijken katholieke en protestantse scholen open te staan
voor allochtone leerlingen. Ook in het bijzonder onderwijs
zijn er zwarte scholen. Dat er in het openbaar onderwijs
meer zwarte scholen zijn, heeft vooral te maken met de spreiding
van scholen over de regio's: er zijn meer openbare scholen
in de steden waar veel allochtonen wonen. Maar in de kleinere
steden is het witter zijn van katholieke en protestantse
scholen niet geheel uit demografische gegevens te verklaren.
Segregatie in het onderwijs is een al vele jaren bestaand
probleem. Het is terecht dat mensen ongeduldig raken en
pleiten voor maatregelen die nu eens echt bijdragen aan
een oplossing. Daarvoor moeten we niet terugvallen op oude
mislukte middelen als het met busjes vervoeren van zwarte
leerlingen. We kunnen wel andere dingen doen om het maatschappelijk
proces in de gewenste richting te versnellen en de witte
vlucht te keren. Ten eerste is het noodzakelijk dat de overheid
echte keuzevrijheid voor alle ouders garandeert en barrières
als lange wachtlijsten en hoge schoolgelden verbiedt. Hoge
schoolgelden benadelen minder draagkrachtigen. Bij lange
wachtlijsten komt het in de praktijk vaak voor dat allochtone
ouders hun kinderen niet vroeg genoeg aanmelden waardoor
plaatsing op de betreffende school niet of moeilijk mogelijk
is. Kinderen worden op populaire scholen soms al aangemeld
voordat ze drie jaar oud zijn. Kinderen die later worden
aangemeld kunnen niet op 4 jarige leeftijd op desbetreffende
school beginnen.
Voor het inschrijven zou als regel moeten gelden dat het
kind minimaal drieënhalf jaar oud moet zijn. Wanneer
er teveel aanmeldingen zijn kan er bijvoorbeeld gewerkt
worden met periodieke lotingen. Kinderen uit de directe
woonomgeving van de school moeten in alle gevallen voorrang
krijgen.
Witte scholen in zwarte of gemengde wijken in de grote steden,
maar ook confessionele scholen in kleinere steden die relatief
wit zijn, moeten gemengde scholen worden. Artikel 23 mag
hiervoor geen belemmering zijn. De overheid moet eisen dat
van alle nieuwe leerlingen minimaal 30 % allochtoon is,
zodat een reële afspiegeling van de bevolking in de
wijk ontstaat. Scholen mogen geen witte leerlingen toelaten
op het moment dat zij niet aan die eis voldoen.
Gemengde scholen moet de overheid beschermen en belonen.
Zij krijgen de vrijheid om eigen beleid te voeren om een
gemengde school te blijven. Extra financiële ondersteuning,
voor door de school te bepalen faciliteiten, is een gepaste
beloning voor scholen die gemengd zijn of dat worden. Zij
hebben immers hun maatschappelijke verantwoording genomen.
Anette de Ruiter