 |
|
Jeroen
Visser
|
Minister van onderwijs Maria van der Hoeven is moedig met de erkenning
van het feit dat zwarte scholen een blijvend gegeven zijn in het
Nederlandse onderwijssysteem. De demografische samenstelling van de
bevolking maakt het bestaan van scholen met meer dan vijftig procent
leerlingen met een migrantenachtergrond tot een onomkeerbaar feit.
Vruchteloze pogingen en debatten om deze vorm van segregatie ongedaan te
maken, moeten plaats maken voor het tegengaan van achterstanden in het
onderwijs. Goede zwarte en gemengde scholen zijn op den duur betere wapens
tegen segregatie dan de zichzelf steeds maar herhalende, stigmatiserende
discussie over het tegengaan van zwarte scholen.
Het is goed dat minister Van der Hoeven afstand neemt van het idee dat
zwarte scholen per definitie slecht zijn. Zij erkent dat het bestaan van
zwarte scholen voor de kwaliteit van het onderwijs niet problematisch
hoeft te zijn, en geeft terecht aan dat het statistisch gezien
onontkoombaar is dat in Nederland veel scholen in grote mate worden
bevolkt door leerlingen van diverse etnische achtergrond.
Door dit duidelijk uit te spreken, is er in Nederland voor het eerst
een minister van onderwijs die een streep probeert te trekken onder een
debat met vooral averechtse gevolgen. Het debat over zwarte en witte
scholen wordt veelal aangezwengeld door mensen die segregatie willen
tegengaan. Door het eenzijdige, negatieve beeld dat zij schetsen van
zwarte scholen bereiken zij echter het tegenovergestelde. Witte ouders
moeten bij de schoolkeuze voor hun kind wel heel sterk in hun schoenen
staan om tegen de heersende negatieve beeldvorming in te gaan en hun kind
naar een zwarte of gemengde school te sturen. Wanneer ouders zich laten
sturen door de algemeen heersende opinie, neemt de segregatie toe.
Het witte-zwarte scholen debat, zoals dat tot nu toe wordt gevoerd,
ondergraaft bovendien ten onrechte het idee dat zwarte scholen goed kunnen
zijn. Gelukkig zijn er genoeg scholen die het tegendeel bewijzen. De
directie en onderwijzers van deze scholen verdienen ondersteuning, in
plaats van dreiging met schoolsluiting, zoals de onderwijskundige van
Forum, Zeki Arslan, voorstelt.
Het gelijk van de minister wordt bevestigd door het feit dat ook haar
critici geen alternatieven formuleren die een einde kunnen maken aan de
schoolsegregatie. Het idee van VVD Tweede-Kamerlid Hirsi Ali om van nieuwe
scholen te eisen dat zij ‘garanderen dat niet meer dan 25 procent van de
schoolpopulatie uit allochtone kinderen bestaat’ is in de randstad
alleen al op rekenkundige gronden moeilijk realiseerbaar. Van andere
voorgestelde maatregelen kan misschien wel enige sturende werking uitgaan,
maar volledige desegregatie zal een utopie blijven.
Minister Van der Hoeven zou wel de indruk moeten wegnemen dat zij een
volledige laissez-faire houding aanneemt. Er is verschil tussen een
door de bevolkingsontwikkeling gestimuleerde segregatie in het onderwijs
en een kunstmatige bevordering van deze segregatie. Zonder met leerlingen
te willen slepen, kan de overheid wel kijken naar de witte vlucht. Wanneer
scholen een andere kleur hebben dan hun omgeving, kan de inspectie daar
kritisch naar kijken. Scholen die bewust allochtonen weren moeten worden
aangepakt, barrières als wachtlijsten en hoge schoolgelden kunnen beter
worden afgeschaft en het is goed om initiatieven te ondersteunen die van
scholen gemengde scholen maken. Van zulke initiatieven zijn er gelukkig
steeds meer voorbeelden.
Wanneer de segregatiediscussie zo wordt ingedamd, kan prioriteit worden
gegeven aan de belangrijke taak van het bestrijden van achterstanden in
het onderwijs. Alle scholen moeten beschikken over adequate taalprogramma’s
om taalachterstanden bij leerlingen tegen te gaan. Docenten die les geven
op scholen die veel worden geconfronteerd met grootstedelijke problematiek
en etnische diversiteit, verdienen een extra beloning voor het aangaan van
die uitdaging. Onderzoek heeft namelijk aangetoond dat goed presterende
zwarte scholen worden gekenmerkt door een gedreven directie en een hecht
team. Het is daarom verstandig beleid, het voor docenten aantrekkelijk te
maken om deel uit maken van zo’n team. Daarnaast moeten, hoe moeilijk
dat soms ook is, ouders betrokken worden bij het onderwijs aan hun
kinderen. Verplicht ze op school te komen, bijvoorbeeld voor het ophalen
van de rapporten.
De financiering van scholen hoeft niet afhankelijk te zijn van de
etnische afkomst van kinderen. Ook die zwart-wit discussie moet maar een
keer geslecht worden. De factor migratie speelt nu nog een rol bij de ‘weging’
van kinderen. Voor de schoolloopbaan van leerlingen zijn echter op de
eerste plaats de sociaal-economische positie en het opleidingsniveau van
de ouders de voorspellende factoren. Laat deze factoren daarom ook het
zwaarst wegen.
Speciale aandacht is verder nodig voor het ontwikkelen van sociale
vaardigheden bij kinderen op mono-etnische scholen. Sociale vaardigheden
die hen in staat stellen hun weg te vinden in een multi-etnische
samenleving, die wordt gedomineerd door de normen en waarden van een
grotendeels witte middenklasse. Het is beter energie te steken in het
oplossen van dergelijke onderwijskundige vraagstukken, dan in symposia
over schooldesegregatie.
Op de eerste plaats is het echter noodzakelijk dat de minister
prioriteit geeft aan de inhaalslag die nodig is om onderwijsachterstanden
weg te werken. Extra overheidsinspanning is daarvoor op zijn plaats.
Jeroen Visser