|
10 Conclusie
In Nederland heeft men lange tijd gedacht dat geweld tussen
verschillende etnische groepen hier niet tot een belangrijk
probleem zou uitgroeien. Tolerantie wordt beschouwd als een
centrale waarde in de vaderlandse geschiedenis en ook
internationaal heeft Nederland in dit opzicht een gunstige
reputatie. Toch lijkt de laatste jaren ook in Nederland sprake
van een toename van het aantal incidenten op het gebied van
geweld tegen allochtonen.
Ofschoon ook uit ander onderzoek blijkt dat het hierbij
meestal gaat om daders die in groepen opereren, gaat het
bestaande onderzoek in onvoldoende mate uit van het
groepsaspect van geweld tegen allochtonen. De groepsleden zijn
het onderling eens over hun houding tegenover allochtonen; er
is overeenstemming met betrekking tot het gebruik van geweld
in situaties waarin zij zich allen regelmatig bevinden.
Bovendien is racistisch geweld meestal een expressief delict,
omdat de symbolische waarde van het delict belangrijker is dan
het bereiken van een concreet doel. Deze factoren
rechtvaardigen het vermoeden dat dit geweld ingebed is in
bepaalde jeugdculturen, zoals ook in het buitenland het geval
is.
Doel van dit onderzoek is om na te gaan of dat inderdaad
het geval is, en zo ja, welke jeugdculturen daarbij een rol
spelen. Vervolgens heb ik getracht te analyseren waarom
jongeren, die zich aangetrokken voelen tot een bepaalde
jeugdcultuur, meer geneigd zijn tot het plegen van dit gedrag
dan andere jongeren en welke groepsmechanismen daarbij werken.
Tenslotte zijn enkele factoren beschreven, die dit proces van
buitenaf beïnvloeden.
1. Welk verband bestaat er tussen
jeugdculturen en geweld tegen leden van andere etnische
groepen? Om welke jeugdculturen gaat het daarbij?
Sinds de Tweede Wereldoorlog vormen jongeren ook in
Nederland in toenemende mate een aparte groep met een eigen
cultuur. Dit heeft geleid tot het ontstaan van verschillende,
soms onderling concurrerende jeugdculturen. Jeugdculturen zijn
meer dan groepen; ze bestaan uit jongeren die elkaar niet
noodzakelijkerwijs persoonlijk kennen, maar die een
gemeenschappelijke uiterlijke stijl, muzikale voorkeur en
bepaalde waarden delen en die zich nadrukkelijk onderscheiden
van de wereld van de volwassenen. Afgaande op de
internationale ervaringen, berichten in de vaderlandse media,
politieberichten en eigen oriëntatie heb ik aanvankelijk drie
jeugdculturen uitgekozen die een verhoogd potentieel lijken te
bieden voor geweld tegen allochtonen: skinheads,
voetbalhooligans en gabbers.
De skinheadcultuur is in de jaren zestig ontstaan in
Groot-Brittannië. Elementen uit de verdwijnende cultuur van
Britse arbeiders en uit de cultuur die Westindische
immigranten meenamen lagen eraan ten grondslag. De harmonie
tussen Westindische en Britse jongeren bleek van korte duur;
spoedig ontstonden problemen tussen skinheads en immigranten.
Een van de gevolgen was dat de skinheadcultuur van een
jeugdcultuur met een multiculturele oorsprong verschoof in de
richting van een jeugdcultuur voor blanke jongeren. Hoewel een
deel van de skinheads zich altijd bleef verzetten tegen de
racistische tendenzen, kregen die geleidelijk de overhand. Dit
effect werd versterkt toen in de jaren tachtig een deel van de
punkbeweging teleurgesteld raakte in de idealen van de punk en
zich tot de ‘nationalistische’
skinheadkringen bekeerde en de hakenkruizen, die punks
droegen om te shockeren, weer hun nazistische betekenis gaven.
In toenemende mate vond een proces van etnisering van de
skinheadcultuur plaats, waarbij etnisering kan worden
beschouwd als het creëren van sociale tegenstellingen langs
etnische lijnen.
Ofschoon de skinheadcultuur zich vooral in de jaren tachtig
en negentig verspreidde naar vele andere landen, heeft ze in
Nederland nooit een grote aanhang gekregen. Dat neemt niet weg
dat ook in ons land in de jaren tachtig en de vroege jaren
negentig sprake was van een groep racistische skinheads, die
weliswaar klein, maar buitengewoon gewelddadig was en waarvan
de leden elkaar grotendeels kenden. In verschillende steden
bevonden zich cafés die als verzamelplaatsen van skinheads
dienden. Verder nam het blad Hou Kontakt een centrale
positie in. Het fungeerde als een clubblad van de - tamelijk
geïsoleerde - scene in Nederland.
Deze skinheads vochten voortdurend conflicten uit met
verschillende groepen.
Ze profileerden zich door oppositie te zoeken met hun
gecreëerde vijanden en tegenpolen, om zo hun eigen identiteit
te construeren. Die vijanden bestonden niet alleen uit
allochtonen, maar ook uit antiracistische skinheads, krakers,
punks, hippies en de media. De media namen een bijzondere
plaats in: enerzijds scholden de skinheads op de media, die
hen als neonazi’s afschilderden; anderzijds waren ze trots
op het feit dat ze in het nieuws kwamen. Doordat de groep
klein maar radicaal was, stond men vijandig tegenover de
gehele buitenwereld. Thans zijn er nog steeds racistische
skinheads in Nederland, maar het gaat om een zeer kleine
groep, die voornamelijk te vinden is in de buurt van enkele
militante extreem-rechtse partijen. Voor het overige kent
Nederland nauwelijks een skinheadcultuur van betekenis.
Enige jaren geleden doken in Nederland, net als in
Groot-Brittannië, neonazistische skinheads op tussen de
hooligans (voetbalvandalen) in de voetbalstadions. Ook
extreem-rechtse partijen deden hun best om greep te krijgen op
voetbalsupporters. Dat leverde in de meeste gevallen weinig
resultaat op. Dat lag voor een belangrijk deel aan de
samenstelling van de diverse harde kernen van de supporters,
die steeds sterker een multi-etnisch karakter droegen. Het
gevolg is dat hooligans tegenwoordig weliswaar een probleem
vormen, maar niet waar het racistisch geweld betreft.
De derde onderzochte jeugdcultuur, die van de gabbers,
vertoont een zekere verwantschap met skinheads en laat hier en
daar overlappingen met voetbalsupporters zien. Gabbers kunnen
worden gezien als een moderne, Nederlandse variant van
skinheads; uiterlijk lijken zij op hen (bijvoorbeeld in hun
gemillimeterde haardracht), ze nemen een vergelijkbare houding
ten opzichte van de maatschappij aan, maar hun culturele basis
is anders: zij komen voort uit de housecultuur. House is een
muzikaal genre, dat oorspronkelijk uit de Verenigde Staten
komt en tot bloei is gekomen in Groot-Brittannië. Inmiddels
is de housecultuur zeer populair en rijk geschakeerd. De
centrale waarde binnen het grootste deel van de housewereld is
er een van a-politiek hedonisme.
Gabberhouse is een Rotterdamse variant van house. De
overeenkomst met de skinheadcultuur is gelegen in het
nadrukkelijk volkse aspect: gabberhouse ontstond als reactie
op de extravagantie die de house - vooral in Amsterdam -
kenmerkte, enigszins vergelijkbaar met
de wijze waarop Britse skinheads zich in de jaren zestig
afzetten tegen de hippiecultuur. Men kan gabberhouse dan ook
zien als ‘house voor het volk’. Dit komt onder meer tot
uitdrukking in de ‘dresscode’: gabbers hebben niet alleen
een uniforme haardracht, maar ze dragen ook overeenkomstige
trainingspakken en sportschoenen. Dat neemt niet weg dat de
commercie al jaren geleden vat kreeg op de gabbercultuur,
zodat de outfit bepaald niet goedkoop is, evenmin als de
feesten zelf.
Hoewel het op basis van dit onderzoek niet mogelijk is om
uitspraken te doen over het aantal gabbers, is wel duidelijk
dat de jeugdcultuur een brede aanhang heeft. Kwam men gabbers
rond 1990 hoofdzakelijk in de Randstad tegen, tegenwoordig
vindt men ze in alle delen van Nederland. Ze zijn zichtbaar op
straat, op school en in het uitgaansleven; hun uiterlijk is
geen ‘gimmick’, die speciaal voor het feest wordt
gecreëerd, maar maakt deel uit van een complete levensstijl.
Op de feesten komen vaak duizenden bezoekers af.
Verder onderzoek naar de kwantitatieve aspecten van de
gabbercultuur is vereist om nauwkeuriger te kunnen bepalen
welk deel van de gabbers geneigd en in staat is tot het plegen
van geweld tegen leden van andere etnische groepen. Duidelijk
is wel dat gabbers in de afgelopen jaren veelvuldig betrokken
zijn geraakt bij agressie tegen allochtonen, waarbij
aangetekend moet worden dat het nochtans om een minderheid van
de gabbers gaat.
2. Waarom raken Nederlandse jongeren in conflict met
allochtonen en welke sociale mechanismen spelen daarbij een
rol?
Uit dit en ander onderzoek blijkt dat een deel van de
Nederlandse jongeren zich bedreigd voelt door allochtonen. Die
bedreiging komt vooral tot uiting wanneer zij allochtone
jongeren tegenkomen op straat, in het uitgaansleven, op school
en in jongerencentra. Net als Britse skinheads zien zij
allochtonen, in het bijzonder allochtone jongeren, als
concurrenten. Soms speelt, zoals ondere anderen Scheepers en
Coenders schrijven, de angst voor werkloosheid een rol, maar
meestal maken zij zich zorgen over problemen die dichterbij
hun eigen ervaring staan. Daarbij lijkt het erop dat wanneer
er slechts weinig allochtonen zijn, de exotische
belangstelling het wint; het gevoel van bedreiging ontstaat
pas als er sprake is van groepen allochtonen.
De ruzies om Nederlandse meisjes, die in de meeste van de
onderzochte incidenten de aanleiding vormden van het conflict,
vormen het duidelijkste concrete symptoom van de ervaren
bedreiging. Dit verschijnsel is niet nieuw: in de jaren
vijftig en zestig vochten nozems met Indische Nederlanders en
Zuid-Europese immigranten naar aanleiding van onenigheid over
Nederlandse meisjes.
De conflicten tussen Nederlandse en allochtone jongeren
gaan om macht: macht op straat, op school, in de discotheek,
het jongerencentrum. Wanneer een allochtone jongen erin slaagt
het aan te leggen met een blank meisje, wint hij terrein in
deze machtsstrijd. Het gaat de vechtersbazen weliswaar in
eerste instantie om het betreffende meisje, maar in
sociologisch opzicht reikt haar belang verder. Zij heeft een
symbolische waarde: de Nederlandse jongens zien haar
verbintenis met een allochtoon als een verloren punt in de
machtsstrijd, die
gewroken moet worden, desnoods met geweld. Zo kan een
langdurige strijd ontstaan, waarin de betreffende jongeren
steeds sterker gepolariseerd raken en een cyclus van geweld en
tegengeweld het resultaat is.
Jongerencentra vormen regelmatig de inzet van
confrontaties. Gabbers staan daarbij tegenover allochtone
jongeren; beide groepen vinden dat hun muziek in het centrum
moet worden gedraaid of dat hun groep meer recht heeft om het
centrum op een bepaalde avond in gebruik te hebben. In een
aantal gevallen is het hierbij tot grote vechtpartijen
gekomen.
De strijd kan zich ook toespitsen op pleintjes in de stad.
Een groep jongeren is gewend zich op koopavond op een plein in
het centrum op te houden; op een zekere avond blijkt hun
plaats te zijn ingenomen door een groep met een andere
etnische achtergrond. Deze situatie heeft eveneens in
verschillende plaatsen tot geweld geleid.
Ook de feesten zelf vormen regelmatig het decor voor
agressie. Een deel van de gabbers meent dat de feesten
uitsluitend voor blanke jongeren zijn bedoeld en doet zijn
best dat zo te houden. De gepleegde agressie varieert van het
brengen van de Hitlergroet en het dragen van ‘White Power’-kleding
tot direct fysiek geweld.
Het bovenstaande verklaart nog niet waarom het juist
gabbers zijn die in deze problemen verzeild raken. Deze
verklaring moet worden gezocht in het feit dat gabbers
aanhangers zijn van een specifiek Nederlandse jeugdcultuur.
Nederlandse skinheads kopieerden hun stijl van het Britse
origineel en namen ook de nationalistische, blanke lading die
er in Groot-Brittannië aan gegeven was. Gabberhouse
daarentegen is een Nederlandse vinding. Net als Britse
skinheads, die op het Brits-zijn veel nadruk legden,
beklemtonen gabbers de Nederlandse oorsprong van hun cultuur.
Het is geen van elders geadopteerde stijl, maar een poging om
een eigen, Nederlandse identiteit voor jongeren te
ontwikkelen.
In reactie op de gepercipieerde dreiging vormen Nederlandse
jongeren groepen, waarin zij bescherming hopen te vinden. Hun
onderlinge solidariteit betuigen ze door duidelijke zichtbare
tekens te dragen, zoals de Nederlandse vlaggetjes die op de
mouw van een bomberjack worden bevestigd, rood-wit-blauwe
veters of rood-wit-blauwe bandjes om de paardenstaarten van
meisjes. Een jeugdcultuur voorziet in een gevoel van
solidariteit, die over vriendengroepen heenreikt; een typisch
autochtone, Nederlandse jeugdcultuur vormt een ‘safe haven’
voor Nederlandse jongeren die menen dat hun etnische groep
wordt bedreigd.
Gabbers vormen een grotendeels autochtone, blanke
jeugdcultuur; allochtonen beschouwen hen als jongeren die zich
afzetten tegen niet-blanken. Gabbers creëren hun identiteit
in oppositie tot de relevante anderen, net als skinheads dat
deden. Dat leidt tot wederzijdse agressie, waartoe soms
gabbers en soms ook allochtone jongeren de aanzet geven.
Zodoende nemen we ook in Nederland de etnisering van een
jeugdcultuur waar.
Het niveau van fysiek geweld valt in Nederland in zekere
zin nog mee; in veel gevallen gaat het niet om direct fysiek
geweld en vallen er geen ernstig gewonden of doden. In dit
onderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden voor het ontstaan
van grootscheepse rassenrellen.
‘Niettemin neemt het geweld onder jongeren toe. De
multi-etnische samenleving is gegrondvest op de gedachte van
wederzijds respect, tolerantie en harmonie tussen
bevolkingsgroepen. We zien echter hoe de verbondenheid tussen
aanhangers van een jeugdcultuur een etnische lading krijgt,
die etnische tegenstellingen verscherpt. Hierdoor ontstaat
juist conflictstof in plaats van tolerantie en harmonie. Een
belangrijk deel van het geweld tussen jongeren kan daardoor
worden verklaard.
Wanneer we spreken over etnisering, zoals geleerden doen
die de multi-etnische samenleving tot voorwerp van studie
maken, wordt het verschijnsel normaliter beschouwd als een
sociale Beweging onder allochtonen. Daarbij wordt onvoldoende
ingezien dat in de multi-etnische samenleving ook autochtone
Nederlanders etniseren.
In het rapport wordt gewezen op het feit dat de etnisering
van jeugdculturen niet uitsluitend speelt bij autochtone
jongeren. De aanzet tot het plegen van geweld tussen
autochtone en allochtone jongeren wordt niet altijd gegeven
door blanke jongeren; steeds meer zien we dat de agressie over
en weer plaatsvindt. Het is dan ook niet voldoende om
etniseringsprocessen onder autochtone jongeren te onderzoeken
en het verdient aanbeveling soortgelijk onderzoek te
verrichten naar jongeren uit andere etnische groepen.
3. Welke factoren van buitenaf zijn van invloed op
agressie van autochtone jongeren tegen allochtonen?
In de eerste plaats zijn daar de pogingen van
extreem-rechtse organisaties om gabbers te werven. In dit
rapport is beschreven hoe vooral CP ‘86 verwoede pogingen in
het werk stelt om gabbers voor de partij te winnen, pogingen
die soms wel, maar meestal niet succesvol zijn. De opwinding
die ontstond over het dragen van Nederlandse vlaggetjes
alsmede het weinig doordachte verbod daarop heeft
extreem-rechts een strijdpunt gegeven om hier en daar voet aan
de grond te krijgen in gabberkringen.
Tweede factor is de rol van het geruchtencircuit en de
media, waardoor ‘besmetting’ optreedt, getuige
bijvoorbeeld de kwestie van de verbranding van de
Feyenoord-vlag en de wens van Limburgse gabbers om hun
randstedeljke geestverwanten te imponeren. De besmetting
bestaat eruit dat jongeren in verschillende delen van het land
inspiratie ontlenen aan de berichten over elkaars daden en die
nabootsen. De toegenomen mobiliteit, die een algemeen kenmerk
is van de hele housewereld, waardoor bezoekers van een groot
feest vaak uit het gehele land afkomstig zijn, is hierop van
invloed.
In de derde plaats dient de invloed van het enorme
druggebruik onder ogen gezien te worden. Vooral speed is een
middel dat latente agressie naar boven kan halen. Daarbij is
van belang dat de jongeren, die zelf in drugs handelen of er
gemakkelijk toegang toe hebben, in veel gevallen een
leidersrol vervullen binnen hun groep. Zij zijn vaak de
aanstichters tot delinquent en agressief gedrag. De vervuiling
van de ecstacy-pillen en de vervanging van ecstacy door speed
dragen daaraan bij.
Hier en daar worden, bijvoorbeeld door politie en
jongerenwerk, initiatieven ontplooid om de vijandigheid tussen
jongeren uit verschillende etnische groepen te beteugelen.
Hoewel deze initiatieven soms succesvol zijn, blijft
structureel beleid vooralsnog uit. Binnen de gabberwereld
bestaan plannen om actie te ondernemen om racistische
tendenzen te bestrijden. Stimulering van deze plannen is
nuttig om de etnische lading die de gabbercultuur heeft
gekregen, weg te nemen en het daaruit voortvoeiende geweld te
doen verminderen.
Discussie
We kunnen ons de vraag stellen in hoeverre het beschreven
proces zich laat beïnvloeden. De keus voor de overheid lijkt
niet ruim. Repressie neemt de oorzaak van het geweld niet weg
en stuit bovendien op praktische problemen, omdat veel
incidenten de politie niet ter ore komen. Stimulering van
tolerantie tussen verschillende bevolkingsgroepen in het
onderwijs is een nobel streven, maar dreigt voorbij te gaan
aan de vage gevoelens van bedreiging dat een deel van de
Nederlandse jongeren ervaart en aan de etnisering die daarop
de reactie vormt. Het is voor de overheid lastig om vat te
krijgen op een jeugdcultuur, omdat die de eigen normen juist
stelt in plaats van normen die van bovenaf worden opgelegd.
Daarom dient men aan te sluiten op signalen uit de jeugdcultuur
zelf.
Het belangrijkste doel waarnaar gestreefd dient te worden
om de tendens tot etnisering van jeugdculturen en het
daruitvloeiende geweld het hoofd te bieden, is het ombuigen
van het beeld van de gabbercultuur als ‘blank’, zodat het
verband tussen jeugdcultuur en etniciteit wordt doorbroken.
Ook voor gabbers die geweld tegen allochtonen plegen, ligt hun
loyaliteit in de meeste gevallen in eerste instantie bij de
gabbercultuur en pas daarna bij hun etniciteit. Het is dan ook
van het grootste belang dat zij gedwongen worden tot het maken
van een keuze tussen deze twee identiteiten, zodat de
combinatie onmogelijk wordt gemaakt. Hiertoe moeten
tegenkrachten binnen de gabberwereld zelf worden
gemobiliseerd; een dergelijke mentaliteitsverandering kan niet
van buitenaf worden opgelegd maar zal door de gabbers zelf
moeten worden uitgedragen. Het is een hoopgevend teken dat
vanuit de gabberscene het verzet groeit tegen racistische
uitingen van gabbers.
Zo is een aantal gabbers bezig met de oprichting van een
groep, die het racisme binnen de scene wil tegengaan, mede uit
onvrede met de negatieve beeldvorming die daarvan het
resultaat vormt. Zij ‘villen acties organiseren tegen het
racisme in de gabberwereld. Ook een aantal andere betrokkenen,
zoals organisatoren en diskjockeys, heeft zich bereid
"verklaard zich voor dat doel in te zetten.
Deze acties doen op het eerste gezicht denken aan SHARP, de
organisatie van skinheads die het racisme uit de skinheadscene
wilde bannen. Gezien het matige succes van de Nederlandse
afdeling van SHARP en de uiteenlopende vormen van agressie van
de zijde van racistische skinheads, waaraan de leden
blootgesteld waren, lijken de antiracistische gabbers een
moeilijke tijd tegemoet te gaan. Toch is er zeker reden om aan
te nemen dat hun toekomst er rooskleuriger uitziet. De
politieke polarisatie en het daaruit voortvloeiende geweld
tussen skinheads onderling ‘varen beduidend sterker dan die
binnen de huidige gabberscene. Initiatieven als het
bovenstaande verdienen daarom ondersteuning.
Aandacht voor en stimulering van de positieve signalen uit
de jeugdcultuur zelf kunnen meer gabbers ertoe aanzetten de
‘handshake-and-hug culture of hardcore’, waarover een
Brits tijdschrift schrijft, in ere te herstellen.
|