|
Van het onderwijs wordt bij uitstek een bijdrage verwacht aan het bevorderen van gelijkheid,
wederzijdse erkenning en integratie in een multiculturele samenleving. Maar Is het onderwijs daar ook daadwerkelijk mee bezig? Wordt de term 'intercultureel onderwijs' nog wel eens gebezigd? Of is alle aandacht opgeslokt door de zorg om de achterblijvende onderwijsprestaties van allochtone leerlingen? Zes jaar geleden werd de Projectgroep
Intercultureel Onderwijs in het leven geroepen om intercultureel onderwijs te integreren in het algemene onderwijsbeleid en in de reguliere werkwijze van scholen. Een van de initiatieven was het project
Intercultureel leren in de klas dat inmiddels is afgerond. De resultaten staan in dit deel van
Vernieuwing centraal.
Zo'n vijftien jaar geleden werd de term multiculturele samenleving slechts gebruikt in wetenschappelijke teksten, in nota's van adviesraden en, voorzichtig nog, in beleidsdocumenten van de overheid. Tegenwoordig heeft iedereen het over de multiculturele samenleving en worden er alom uitspraken gedaan over veranderingen die daardoor teweeg zijn gebracht. Volgens sommigen is de multiculturele samenleving al een feit: er leven immers steeds meer mensen van verschillende etnisch-culturele achtergrond in Nederland, zonder grote spanningen of conflicten. Anderen vinden dat er van een 'echte' multiculturele samenleving pas sprake kan zijn als er niet alleen sprake is van en min of meer vreedzaam naast elkaar leven, maar ook van wederzijdse erkenning en begrip, van gelijkwaardigheid, van integratie van minderheden en 'van een andere kijk op de kleur van een Nederlander'. En daarvoor lijkt nog een lange weg te gaan.
Zes jaar geleden werd door de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en Volksgezondheid, Welzijn en Sport een Projectgroep Intercultureel Onderwijs in het leven geroepen. Deze kreeg vier jaar de tijd om een nieuwe impuls aan intercultureel onderwijs te geven, in en om het onderwijs. De overheid constateerde namelijk dat de wettelijke verplichting om leerlingen voor te bereiden op de multiculturele samenleving nog weinig effect had. Onderzoeken en inspectierapporten lieten zien dat de aandacht voor intercultureel onderwijs bepaald niet algemeen was en er een gemeenschappelijke visie ontbrak. 'Daarom',
zo stelt de Projectgroep 'stagneerde de invoering van intercultureel
onderwijs'.
'Intercultureel onderwijs is er niet alleen voor allochtone leerlingen'
De Projectgroep kreeg de opdracht naar wegen te zoeken om intercultureel onderwijs te integreren in het algemene onderwijsbeleid en in de reguliere werkwijze van alle scholen. Bij de start van haar werkzaamheden definieerde zij intercultureel onderwijs als 'activiteiten in het onderwijs gericht op verbetering van de verhoudingen tussen mensen van verschillende etnische groeperingen op basis van gelijkwaardigheid. Deze omschrijving neemt afstand van het denkbeeld dat intercultureel onderwijs vooral iets voor allochtone leerlingen zou zijn, of alleen iets voor scholen met allochtone leerlingen. In de visie van de Projectgroep is het de taak van alle scholen om hun leerlingen iets te laten leren over verscheidenheid en over verhoudingen tussen mensen met verschillende culturele, godsdienstige en talige achtergronden, omdat immers alle leerlingen moeten worden voorbereid op de multiculturele samenleving.
IN DIALOOG
De Projectgroep Intercultureel Onderwijs heeft in de korte tijd van haar bestaan veel in gang gezet. Zij stimuleerde vernieuwingen in het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs, de
BVE en het hoger onderwijs en hield zich bezig met onderwerpen als de inhoud van het onderwijsmateriaal, de formulering van kerndoelen, het primaire proces in de klas en de relatie school-omgeving. Een van de centrale ondernemingen was het project
Intercultureel leren in de klas (ILK). Het doel van dat project was het opsporen en ontwikkelen van nieuwe ideeën voor intercultureel leren in verschillende sectoren van het onderwijs. De aanduiding
in de klas geeft aan waar volgens de Projectgroep de kern van intercultureel leren moet liggen: in de onderwijspraktijk van alledag en in de verhoudingen tussen leerkrachten en leerlingen en leerlingen onderling.
In het primaire proces, in de contacten in de klas, krijgt het leren omgaan met verschillen immers vorm. Het totstandbrengen van een dialoog, ervoor zorgen dat in de klas communicatie plaatsvindt over onderwerpen die voor intercultureel leren relevant zijn, daar moest volgens de Projectgroep vooral de aandacht op worden gericht. Het project heeft een jaar geduurd. In dat jaar zijn docenten uit vier verschillende sectoren van het onderwijs (basisonderwijs, voortgezet onderwijs,
BVE en PABO's) in netwerken met elkaar bezig geweest om die voorbeelden (didactische arrangementen genoemd) uit te wisselen, te bedenken, met elkaar te bespreken, uit te proberen en te beschrijven. Een jaar was daarvoor veel te kort, maar toch is elk netwerk er, onder begeleiding van een gespecialiseerd instituut, in geslaagd een eindproduct met beschrijvingen van zulke voorbeelden te
produceren.1
Door zijn breedheid, zowel in opdracht als in hoeveelheid en soort betrokkenen, valt over het project veel te zeggen. Allerlei onderwerpen zijn erin aan bod geweest: definities van intercultureel onderwijs, de afbakening of overlap met andere belangrijke thema's in het onderwijs, de institutionele beperkingen voor het realiseren van intercultureel leren, de mogelijkheden om concepten over te dragen naar anderen, de voor- en nadelen van het werken in netwerken enzovoort. In deze deelspecial van
Vernieuwing kan niet op al deze onderwerpen worden ingegaan, daarom is gekozen voor twee bijdragen. In het artikel van Guuske Ledoux gaat het om de vraag of etnische diversiteit op school noodzakelijk is voor intercultureel onderwijs. Yvonne Leeman en Trudy Moerkamp gaan vervolgens in op de eisen die de multiculturele samenleving stelt aan de beroepsuitoefening en daarmee aan de voorbereiding daarop in beroepsopleidingen. Voor een goed begrip van beide artikelen moeten we echter eerst nog ingaan op een
overkoepelende onderwerp: de invulling van intercultureel onderwijs.
VERWARRING
Intercultureel onderwijs is bepaald geen eenduidig begrip. Juist die vaagheid wordt wel gezien als een van de redenen dat intercultureel onderwijs niet goed van de grond
komt.2 Als immers niet duidelijk is
wat je precies moet realiseren, is het niet zo vreemd dat je je er niet voor inspant. Een van de centrale punten van verwarring is vaak de afbakening met datgene wat scholen doen om achterstanden te bestrijden. Op scholen met veel allochtone leerlingen is de laatste jaren veel gebeurd om het onderwijs passender te maken voor deze groep. Nieuwe taal-methoden, speciale aandacht voor Nederlands als tweede taal, inbedding van het onderwijs in de eigen taal (OALT), integraal taalbeleid: dat zijn op 'zwarte' scholen de aandachtspunten van deze tijd, vooral in het basisonderwijs.
Dit soort veranderingen leidt ook wel tot herbezinning op de inhoud van het (taal)onderwijs, en daarmee kom je op het terrein van intercultureel onderwijs. Maar intercultureel onderwijs is niet hetzelfde als achterstandsbestrijding. Zowel het doel als de doelgroep is immers anders: intercultureel onderwijs moet voorbereiden op de multiculturele samenleving en is daarom per definitie bedoeld voor alle leerlingen, niet alleen voor leerlingen die tot een achterstandsgroep behoren. Natuurlijk ligt die verwarring wel enigszins voor de hand: de noodzaak om iets aan intercultureel onderwijs te doen wordt het eerst gevoeld op scholen met (veel) allochtone leerlingen, en die scholen hebben voor diezelfde groep de taak om achterstanden te bestrijden.
In het publieke debat over de multiculturele samenleving worden de begrippen
'integratie' en 'achterblijven' eveneens vaak met elkaar verbonden. Daar ligt vaak een betrekkelijk simpel denkschema aan ten grondslag: (a) meer onderwijs leidt tot meer participatie - zowel op de arbeidsmarkt als in andere segmenten van de maatschappij, (b) meer participatie leidt tot meer integratie en (c) meer integratie brengt de multiculturele samenleving dichterbij. Deze redenering is op zichzelf niet onwaar, maar wel erg eenzijdig en onvolledig.
Eenzijdig, omdat het alleen de inspanningen van allochtonen belicht, terwijl er ook aan de kant van de autochtonen drempels geslecht zouden moeten worden - bijvoorbeeld op het vlak van individuele en institutionele discriminatie. Onvolledig, omdat het alleen gaat over het bevorderen van schoolprestaties en schoolloopbanen en niet om allerlei andere aspecten van integratie en samenleven. Juist die andere aspecten staan centraal bij intercultureel onderwijs: daar gaat het om verbetering van de verhoudingen, zowel voor het nu (de periode van het schoolgaan, de kinder- en jeugdtijd) als voor later (het functioneren als volwassene in een multiculturele wereld). Vervolgens gaat het om de vraag hoe je dat zou kunnen doen en wat de condities daarvoor zijn.
Voor het hoe hebben we in het ILK-project twee benaderingen onderscheiden: een culturalistische en een pluralistische. In de culturalistische benadering ligt het accent op cultuurverschillen tussen groepen en is het doel van intercultureel onderwijs het leren kennen, begrijpen en respecteren van deze verschillen. Culturalisme gaat, door het accent op verschillen, snel gepaard met een denken in termen van 'onze cultuur' tegenover
'andere culturen'. Verschillen worden dan uitvergroot en statisch en er is minder aandacht voor verschillen binnen groepen en voor verschuivingen in tijd er generaties. In de pluralistische benadering ligt het accent meer op diversiteit in het algemeen, niet alleen etnisch-culturele diversiteit maar verscheidenheid in allerlei opzichten en vormen. In deze benadering richt intercultureel onderwijs zich meer op het realiseren van een positief pedagogisch klimaat, waarin groepsleden goed met elkaar omgaan en ieder individu geaccepteerd en gerespecteerd wordt.
'Intercultureel Onderwijs zou als een algemeen kwaliteitskenmerk van onderwijs gezien moeten worden'
CONTAINER
In de netwerken van het ILK-project bleken zowel culturalistische als pluralistische benaderingen voor te komen. Uit een meting van opvattingen over intercultureel leren bleek dat de meeste netwerkdeelnemers intercultureel leren als een containerbegrip opvatten: zowel meer culturalistische als meer pluralistische ideeën maken er deel van uit. Pluralistische invullingen kregen echter de meeste prioriteit: die vond men het belangrijkst voor het onderwijs en die hebben ook het meest vorm gekregen in de didactische arrangementen voor intercultureel leren die in de netwerken zijn ontwikkeld en beschreven.
Onderwijsdoelen die goed passen in een pluralistische benadering zijn bijvoorbeeld 'leerlingen leren inzien dat er geen algemene waarheden bestaan', 'zorgen dat leerlingen zich veilig voelen in de groep' en 'leerlingen leren zich in te leven in de gedachten en gevoelens van anderen'. Het zijn doelen die goed algemeen toepasbaar zijn, ongeacht de samenstelling van de groep, en daarmee dus ook goed bruikbaar zijn in groepen met weinig of geen allochtone leerlingen. Een keuze voor een pluralistische benadering lijkt daarom veel voordelen te bieden, maar roept ook weer zijn eigen dilemma's op, zo blijkt uit de artikelen van Ledoux en Leeman en Moerkamp. En dan zijn er nog meer lastige punten: bijvoorbeeld de neiging van eerkrachten om het in de klas 'gezellig' te houden en potentiële onderwerpen van conflict liever niet toe te laten in de les. Dat lijkt voor intercultureel leren een weinig productieve houding, en daarom pleiten Leeman en Moerkamp voor een beetje meer 'lef' in de klas.
Het ILK-project was bedoeld als een nieuwe impuls voor intercultureel onderwijs. Wie kennis neemt van de resultaten zal veel bekends aantreffen, maar vooral nieuwere lichtingen docenten in het onderwijs zullen er ook veel bruikbaars kunnen vinden. Daarmee is echter het einddoel dat de Projéctgroep
ICO bij haar opheffing in 1998 formuleerde, namelijk dat intercultureel onderwijs een kwaliteitskenmerk van het onderwijs behoort te zijn dat uitdrukking geeft aan de etnische en culturele diversiteit van de samenleving, nog lang niet gerealiseerd. Reguliere instellingen zoals begeleidingsdiensten, instellingen voor initiële en verdere scholing van leerkrachten en toezichthoudende instellingen moeten nu de zorg voor de verdere ontwikkeling en implementatie van intercultureel onderwijs op zich nemen. Om die instellingen te ondersteunen zijn voor elke onderwijssector in nauwe samenwerking met en onder verantwoordelijkheid van die reguliere instellingen zogenaamde
ICO-coördinatoren benoemd. Voor hen ligt er nog een heleboel werk.
Guuske Ledoux en Yvonne Leeman zijn werkzaam bij het SCO-Kohnstamm Instituut van de Universiteit van Amsterdam. Adres: Wibautstraat 4, 1091 CM Amsterdam.
NOTEN
1) De Anne Frank Stichting begeleidde het netwerk basisonderwijs, de
KPC-groep het netwerk Voortgezet onderwijs, het APS het
PABO-netwerk en het CINOP begeleidde het BVE-netwerk.
2) Zie het themanummer over ICO van Migrantenstudies
14 (1998) 2.
LITERATUUR
G. Ledoux e.a., Ervaringen met intercultureel leren in het onderwijs. Evaluatie van het Project Intercultureel Leren in de Klas (Amsterdam:
SCO-Kohnstamm Instituut, 2000).
|