Een smeulend debat
In 1998 deden de uitspraken van Matthé Sjamaar, rector van het Niels Stensen
College te Utrecht, die zijn school zag degraderen tot een zwarte school, het
land opschrikken. In de zomer van dit jaar bracht het verzet van Turkse ouders tegen
segregatie in het basisonderwijs in Deventer, de problematiek weer op de politieke agenda.
Opvallend aan deze discussie is dat de ingenomen standpunten en de gehanteerde argumenten
in al die tijd nauwelijks zijn veranderd. Iemand die sinds 1990 de discussie niet meer
heeft gevolgd, kan zonder problemen in 2000 de draad weer oppikken.
Het centrale element in de discussie is de onwenselijkheid van etnische segregatie in
het onderwijs. Zwarte scholen staan immers haaks op het ideaal van maatschappelijke
integratie van allochtonen. Meningsverschillen hebben te maken met de oorzaken en gevolgen
van segregatie en het te voeren beleid. De discussie is vrij complex omdat er diverse
zaken spelen, zoals de maatschappelijke integratie van allochtonen, de vrijheid van
onderwijs, kwaliteitsverschillen binnen het onderwijs, de positie van het bijzonder
onderwijs en de prestaties van allochtone leerlingen. In het navolgende probeer ik de
discussie te verhelderen door achtereenvolgens in te gaan op de omvang, oorzaken, gevolgen
en het beleid inzake zwarte scholen in het basisonderwijs. Ik beperk me tot het
basisonderwijs omdat de discussie vooral over segregatie in het basisonderwijs gaat.
Half wit is half zwart
Zwarte scholen worden op verschillende manieren gedefinieerd. Telt het aantal
leerlingen of moet men kijken naar de verhouding tussen de etnische samenstelling van wijk
of stad enerzijds en de etnische samenstelling van de school anderzijds? Meest
gebruikelijk is het om het aantal allochtone leerlingen als criterium te hanteren. Daarbij
zijn vijftig procent of zeventig procent de meeste gehanteerde getallen. Hoe zwarte
scholen ook worden gedefinieerd, vast staat dat het aantal de afgelopen vijftien jaar is
gestegen. Het aantal basisscholen met meer dan de helft allochtone leerlingen steeg van
273 in 1986 naar 500 in 1999. Het aantal basisscholen met meer dan zeventig procent
allochtone leerlingen steeg van 129 in 1986, naar 269 in 1999. In 1986 waren er rond de
8.300 basischolen in Nederland in 1999 rond de 7.000 basisscholen.
Deze getallen klinken dramatischer dan ze in werkelijkheid zijn. De meeste zwarte
scholen bevinden zich namelijk in de grote steden waar rond de helft van alle leerlingen
allochtoon is. Scholen met meer dan vijftig procent allochtonen zijn dan ook bijna
onvermijdelijk en dit heeft weinig met segregatie te maken. Dit geldt in veel mindere mate
voor steden waar het aandeel allochtonen in de totale leerlingenpopulatie veel kleiner is.
Een school met dertig of veertig procent allochtone leerlingen in zon stad is in
wezen veel zwarter dan in de grote steden. Uit onderzoek van dagblad Trouw blijkt dan ook
dat het onderwijs in de grote steden in vergelijking met andere steden veel minder is
gesegregeerd dan op het eerste gezicht lijkt.
Witte vlucht versterkt segregatie
De belangrijkse oorzaak van het ontstaan van zwarte scholen is de ruimtelijke
segregatie van Nederland. Allochtonen zijn vooral geconcenteerd in bepaalde stadswijken en
het is bijna onvermijdelijk dat de scholen in deze buurten zwart zijn geworden. Deze
etnische segregatie is in wezen een voortzetting van de sociaal-economische segregatie die
de ruimtelijke indeling en ook het onderwijs in Nederland altijd hebben gekenmerkt. Van
oudsher kiezen de maatschappelijke elites voor hun eigen scholen, arbeiderskinderen gaan
naar arbeidersscholen. De Nederlandse arbeiderskinderen zijn nu vervangen door
arbeiderskinderen van buitenlandse afkomst. De segregatie langs sociaal-economische lijnen
is dus opgevolgd door segregatie langs etnische lijnen. Dit heeft kunnen gebeuren omdat
etniciteit en sociaal-economische achtergrond elkaar overlappen: de meeste allochtone
Nederlanders verdienen weinig en behoren tot de laagste sociale klassen.
De etnische segregatie in het onderwijs is echter groter dan op grond van de
ruimtelijke segregatie verklaard kan worden. Dit heeft te maken met een andere belangrijke
factor voor het ontstaan van zwarte scholen: het verschijnsel van de witte vlucht.
Autochtone Nederlanders sturen hun kinderen niet meer naar scholen die dreigen zwart te
worden. Dat het verschijnsel bestaat is zeker maar over de omvang en oorzaken ervan is
minder bekend. Waarschijnlijk kiezen autochtone ouders voor witte scholen omdat men denkt
dat er op zwarte scholen slecht onderwijs wordt geboden en leerlingen op deze scholen
daarom minder goed presteren. Ouders laten zich in hun schoolkeuze onder meer leiden door
de kwalitieit van het geboden onderwijs en de bestaande beeldvorming pakt op deze manier
nadelig uit voor zwarte scholen.
Een andere factor waar de laatste tijd veel nadruk op wordt gelegd is het
toelatingsbeleid van bijzondere scholen. Bijzondere scholen hebben het recht leerlingen te
weigeren. Ze zouden misbruik maken van dit recht om allochtone leerlingen te weren.
Openbare scholen hebben dit recht niet en een concentratie van allochtone leerlingen in
het openbaar onderwijs, dus zwarte scholen, is het gevolg. En inderdaad lijkt het
toelatingsbeleid van bepaalde bijzondere scholen een rol te spelen. Informele barrières
worden opgeworpen die het moeilijk maken voor allochtone kinderen om op deze scholen te
komen. Maar deze kritiek op het bijzonder onderwijs in haar geheel is niet terecht.
Bijzondere scholen worden in juridisch opzicht beperkt in hun recht om leerlingen te
weigeren en in de praktijk blijken katholieke en christelijke scholen open te staan voor
allochtone leerlingen. Ook in het bijzondere onderwijs zijn er zwarte scholen. Dat er in
het openbaar onderwijs meer zwarte scholen zijn dan in het openbaar onderwijs heeft vooral
te maken met de spreiding van openbare en bijzondere scholen over de regios : er
zijn meer openbare scholen in gebieden waar allochtonen wonen.
Tenslotte is er nog de opkomst van islamitische scholen. Allochtone ouders kiezen in
dit geval zelf voor segregatie. Maar door de geringe omvang van het islamitische onderwijs
is dit een verwaarloosbare factor.
Onduidelijke gevolgen
Over de gevolgen van segregatie in het onderwijs voor de prestaties en
maatschappelijke integratie van allochtone leerlingen is er geen duidelijkheid. Zo stelde
Teunissen in 1988 dat er geen verband is tussen de etnische samenstelling van een
basisschool en de leerprestaties van allochtone leerlingen. In datzelfde jaar kwam Penninx
met een onderzoek waarvan de conclusies diametraal stonden tegenover die van Teunissen.
Voorts bestrijdt Teunissen de veronderstelling dat de zwarte scholen nadelig effect hebben
op de sociale integratie van allochtone leerlingen. De voorwaarden voor contacten en
vriendschappen tussen allochtone en autochtone leerlingen zijn het gunstigst op scholen
met tussen de dertig en zeventig procent allochtone leerlingen, aldus Teunissen. Dors
daarentegen hamert op de sociale risicos die allochtone leerlingen lopen als ze
zwarte scholen bezoeken. Dors benadrukt vooral de negatieve gevolgen voor de
maatschappelijke positie van allochtone leerlingen op latere leeftijd. Onlangs is de
sociaal-geograaf Gramberg gepromoveerd op een proefschrift waarin hij concludeert dat
allochtone leerlingen op een witte school niet beter presteren dan allochtone leerlingen
op een zwarte school.
Eén ding is echter wel duidelijk: niet alle zwarte scholen zijn slecht. Er zijn goede
en slechte zwarte scholen, zoals er ook goede en slechte witte scholen zijn. Uit onderzoek
komt naar voren dat goed presterende zwarte scholen gekenmerkt worden door een krachtige
directie, een hecht lerarenteam, de nadruk op basisvaardigheden en een veilig en ordelijk
sociaal klimaat.
Vrije schoolkeuze beperkt spreidingsbeleid
Enkele gemeenten hebben een beleid gevoerd dat was gericht op een evenwichtige
spreiding van allochtone leerlingen over de verschillende scholen. Het bekendste voorbeeld
van zon gemeentelijk spreidingsbeleid is dat van de gemeente Gouda. De mogelijkheden
voor een spreidingsbeleid zijn beperkt omdat ouders het recht hebben op vrije schoolkeuze
en niet gedwongen kunnen worden om voor een bepaalde school te kiezen. In Gouda werkten
scholen en ouders dan ook vrijwillig mee aan het beleid. In 1997 liep het spreidingsbeleid
in Gouda spaak omdat een aantal scholen niet meer mee wilden werken. Ook bleken de
resultaten tegen te vallen. Allochtone leerlingen presteerden niet beter dan in gemeenten
waar geen spreidingsbeleid werd gevoerd.
Landelijke overheid en de meeste gemeenten hebben nooit een spreidingsbeleid gevoerd.
Het recht op een vrije schoolkeuze wordt gezien als een te groot obstakel voor een
effectief spreidingsbeleid. Overheidsbeleid is vooral gericht op het verbeteren van de
kwaliteit van het onderwijs aan leerlingen in achterstandssituaties. De meeste allochtone
leerlingen vallen onder het achterstandenbeleid en daardoor krijgen zwarte scholen extra
financiële middelen ter beschikking. Ook is er geëxperimenteerd met diverse
schoolmodellen, zoals vensterscholen of magneetscholen om de kwaliteit van het onderwijs
aan allochtone leerlingen te verhogen.
Fundamentele aanpak voorlopig onmogelijk
Sinds de jaren tachtig zijn we niet veel verder gekomen met betrekking tot de
etnische segregatie in het onderwijs. Het bestaat nog steeds en over de gevolgen en het te
volgen beleid bestaat nog veel onduidelijkheid. Nader onderzoek met name naar de gevolgen
van segregatie voor allochtone leerlingen en naar de toelatingsprocedures van
basisscholen, lijkt mij dan ook geboden. Een fundamentele aanpak van segregatie is onder
de gegeven verhoudingen onmogelijk. De overheid zal haar aandacht vooral moeten richten op
de kwaliteit van het onderwijs op scholen met veel allochtone leerlingen.