Gekruid geluid
Nieuws en agenda
Verdieping en achtergrond
Didactiek en methodiek
Beleid en strategie
Begeleiding en training
Feiten en cijfers
Prikbord
Adressen en links
Colofon



Beleid en strategie
 

       
Zwarte scholen: niet slechter, niet beter
Gegevens
Zwarte scholen: niet slechter, niet beter - De discussie over segregatie in het onderwijs herhaalt zich. Een artikel van Eddie Nieuwenhuizen uit Zebra Magazine, november 2000
Samenvatting
De maatschappelijke discussie over etnische segregatie in het Nederlands onderwijs, de zogenaamde zwarte-scholenproblematiek, speelt al sinds de jaren tachtig. Eens in de zoveel tijd wakkert de discussie weer aan. Eddie Nieuwenhuizen zet aan de hand van verschillende studies omvang, oorzaken, gevolgen op een rij. Hij laat zien dat de discussie die onlangs weer is opgelaaid, niets nieuws heeft gebracht. Vrijwel alle onderzoekers concluderen dat de kwaliteit van een school niet per sé afhangt van de etnische samenstelling ervan.

Een smeulend debat

In 1998 deden de uitspraken van Matthé Sjamaar, rector van het Niels Stensen College te Utrecht, die zijn school zag ’degraderen’ tot een zwarte school, het land opschrikken. In de zomer van dit jaar bracht het verzet van Turkse ouders tegen segregatie in het basisonderwijs in Deventer, de problematiek weer op de politieke agenda. Opvallend aan deze discussie is dat de ingenomen standpunten en de gehanteerde argumenten in al die tijd nauwelijks zijn veranderd. Iemand die sinds 1990 de discussie niet meer heeft gevolgd, kan zonder problemen in 2000 de draad weer oppikken.

Het centrale element in de discussie is de onwenselijkheid van etnische segregatie in het onderwijs. Zwarte scholen staan immers haaks op het ideaal van maatschappelijke integratie van allochtonen. Meningsverschillen hebben te maken met de oorzaken en gevolgen van segregatie en het te voeren beleid. De discussie is vrij complex omdat er diverse zaken spelen, zoals de maatschappelijke integratie van allochtonen, de vrijheid van onderwijs, kwaliteitsverschillen binnen het onderwijs, de positie van het bijzonder onderwijs en de prestaties van allochtone leerlingen. In het navolgende probeer ik de discussie te verhelderen door achtereenvolgens in te gaan op de omvang, oorzaken, gevolgen en het beleid inzake zwarte scholen in het basisonderwijs. Ik beperk me tot het basisonderwijs omdat de discussie vooral over segregatie in het basisonderwijs gaat.

Half wit is half zwart

Zwarte scholen worden op verschillende manieren gedefinieerd. Telt het aantal leerlingen of moet men kijken naar de verhouding tussen de etnische samenstelling van wijk of stad enerzijds en de etnische samenstelling van de school anderzijds? Meest gebruikelijk is het om het aantal allochtone leerlingen als criterium te hanteren. Daarbij zijn vijftig procent of zeventig procent de meeste gehanteerde getallen. Hoe zwarte scholen ook worden gedefinieerd, vast staat dat het aantal de afgelopen vijftien jaar is gestegen. Het aantal basisscholen met meer dan de helft allochtone leerlingen steeg van 273 in 1986 naar 500 in 1999. Het aantal basisscholen met meer dan zeventig procent allochtone leerlingen steeg van 129 in 1986, naar 269 in 1999. In 1986 waren er rond de 8.300 basischolen in Nederland in 1999 rond de 7.000 basisscholen.

Deze getallen klinken dramatischer dan ze in werkelijkheid zijn. De meeste zwarte scholen bevinden zich namelijk in de grote steden waar rond de helft van alle leerlingen allochtoon is. Scholen met meer dan vijftig procent allochtonen zijn dan ook bijna onvermijdelijk en dit heeft weinig met segregatie te maken. Dit geldt in veel mindere mate voor steden waar het aandeel allochtonen in de totale leerlingenpopulatie veel kleiner is. Een school met dertig of veertig procent allochtone leerlingen in zo’n stad is in wezen veel zwarter dan in de grote steden. Uit onderzoek van dagblad Trouw blijkt dan ook dat het onderwijs in de grote steden in vergelijking met andere steden veel minder is gesegregeerd dan op het eerste gezicht lijkt.

Witte vlucht versterkt segregatie

De belangrijkse oorzaak van het ontstaan van zwarte scholen is de ruimtelijke segregatie van Nederland. Allochtonen zijn vooral geconcenteerd in bepaalde stadswijken en het is bijna onvermijdelijk dat de scholen in deze buurten zwart zijn geworden. Deze etnische segregatie is in wezen een voortzetting van de sociaal-economische segregatie die de ruimtelijke indeling en ook het onderwijs in Nederland altijd hebben gekenmerkt. Van oudsher kiezen de maatschappelijke elites voor hun eigen scholen, arbeiderskinderen gaan naar arbeidersscholen. De Nederlandse arbeiderskinderen zijn nu vervangen door arbeiderskinderen van buitenlandse afkomst. De segregatie langs sociaal-economische lijnen is dus opgevolgd door segregatie langs etnische lijnen. Dit heeft kunnen gebeuren omdat etniciteit en sociaal-economische achtergrond elkaar overlappen: de meeste allochtone Nederlanders verdienen weinig en behoren tot de laagste sociale klassen.

De etnische segregatie in het onderwijs is echter groter dan op grond van de ruimtelijke segregatie verklaard kan worden. Dit heeft te maken met een andere belangrijke factor voor het ontstaan van zwarte scholen: het verschijnsel van de witte vlucht. Autochtone Nederlanders sturen hun kinderen niet meer naar scholen die dreigen zwart te worden. Dat het verschijnsel bestaat is zeker maar over de omvang en oorzaken ervan is minder bekend. Waarschijnlijk kiezen autochtone ouders voor witte scholen omdat men denkt dat er op zwarte scholen slecht onderwijs wordt geboden en leerlingen op deze scholen daarom minder goed presteren. Ouders laten zich in hun schoolkeuze onder meer leiden door de kwalitieit van het geboden onderwijs en de bestaande beeldvorming pakt op deze manier nadelig uit voor zwarte scholen.

Een andere factor waar de laatste tijd veel nadruk op wordt gelegd is het toelatingsbeleid van bijzondere scholen. Bijzondere scholen hebben het recht leerlingen te weigeren. Ze zouden misbruik maken van dit recht om allochtone leerlingen te weren. Openbare scholen hebben dit recht niet en een concentratie van allochtone leerlingen in het openbaar onderwijs, dus zwarte scholen, is het gevolg. En inderdaad lijkt het toelatingsbeleid van bepaalde bijzondere scholen een rol te spelen. Informele barrières worden opgeworpen die het moeilijk maken voor allochtone kinderen om op deze scholen te komen. Maar deze kritiek op het bijzonder onderwijs in haar geheel is niet terecht. Bijzondere scholen worden in juridisch opzicht beperkt in hun recht om leerlingen te weigeren en in de praktijk blijken katholieke en christelijke scholen open te staan voor allochtone leerlingen. Ook in het bijzondere onderwijs zijn er zwarte scholen. Dat er in het openbaar onderwijs meer zwarte scholen zijn dan in het openbaar onderwijs heeft vooral te maken met de spreiding van openbare en bijzondere scholen over de regio’s : er zijn meer openbare scholen in gebieden waar allochtonen wonen.

Tenslotte is er nog de opkomst van islamitische scholen. Allochtone ouders kiezen in dit geval zelf voor segregatie. Maar door de geringe omvang van het islamitische onderwijs is dit een verwaarloosbare factor.

Onduidelijke gevolgen

Over de gevolgen van segregatie in het onderwijs voor de prestaties en maatschappelijke integratie van allochtone leerlingen is er geen duidelijkheid. Zo stelde Teunissen in 1988 dat er geen verband is tussen de etnische samenstelling van een basisschool en de leerprestaties van allochtone leerlingen. In datzelfde jaar kwam Penninx met een onderzoek waarvan de conclusies diametraal stonden tegenover die van Teunissen. Voorts bestrijdt Teunissen de veronderstelling dat de zwarte scholen nadelig effect hebben op de sociale integratie van allochtone leerlingen. De voorwaarden voor contacten en vriendschappen tussen allochtone en autochtone leerlingen zijn het gunstigst op scholen met tussen de dertig en zeventig procent allochtone leerlingen, aldus Teunissen. Dors daarentegen hamert op de sociale risico’s die allochtone leerlingen lopen als ze zwarte scholen bezoeken. Dors benadrukt vooral de negatieve gevolgen voor de maatschappelijke positie van allochtone leerlingen op latere leeftijd. Onlangs is de sociaal-geograaf Gramberg gepromoveerd op een proefschrift waarin hij concludeert dat allochtone leerlingen op een witte school niet beter presteren dan allochtone leerlingen op een zwarte school.

Eén ding is echter wel duidelijk: niet alle zwarte scholen zijn slecht. Er zijn goede en slechte zwarte scholen, zoals er ook goede en slechte witte scholen zijn. Uit onderzoek komt naar voren dat goed presterende zwarte scholen gekenmerkt worden door een krachtige directie, een hecht lerarenteam, de nadruk op basisvaardigheden en een veilig en ordelijk sociaal klimaat.

Vrije schoolkeuze beperkt spreidingsbeleid

Enkele gemeenten hebben een beleid gevoerd dat was gericht op een evenwichtige spreiding van allochtone leerlingen over de verschillende scholen. Het bekendste voorbeeld van zo’n gemeentelijk spreidingsbeleid is dat van de gemeente Gouda. De mogelijkheden voor een spreidingsbeleid zijn beperkt omdat ouders het recht hebben op vrije schoolkeuze en niet gedwongen kunnen worden om voor een bepaalde school te kiezen. In Gouda werkten scholen en ouders dan ook vrijwillig mee aan het beleid. In 1997 liep het spreidingsbeleid in Gouda spaak omdat een aantal scholen niet meer mee wilden werken. Ook bleken de resultaten tegen te vallen. Allochtone leerlingen presteerden niet beter dan in gemeenten waar geen spreidingsbeleid werd gevoerd.

Landelijke overheid en de meeste gemeenten hebben nooit een spreidingsbeleid gevoerd. Het recht op een vrije schoolkeuze wordt gezien als een te groot obstakel voor een effectief spreidingsbeleid. Overheidsbeleid is vooral gericht op het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs aan leerlingen in achterstandssituaties. De meeste allochtone leerlingen vallen onder het achterstandenbeleid en daardoor krijgen zwarte scholen extra financiële middelen ter beschikking. Ook is er geëxperimenteerd met diverse schoolmodellen, zoals vensterscholen of magneetscholen om de kwaliteit van het onderwijs aan allochtone leerlingen te verhogen.

Fundamentele aanpak voorlopig onmogelijk

Sinds de jaren tachtig zijn we niet veel verder gekomen met betrekking tot de etnische segregatie in het onderwijs. Het bestaat nog steeds en over de gevolgen en het te volgen beleid bestaat nog veel onduidelijkheid. Nader onderzoek met name naar de gevolgen van segregatie voor allochtone leerlingen en naar de toelatingsprocedures van basisscholen, lijkt mij dan ook geboden. Een fundamentele aanpak van segregatie is onder de gegeven verhoudingen onmogelijk. De overheid zal haar aandacht vooral moeten richten op de kwaliteit van het onderwijs op scholen met veel allochtone leerlingen.


Verder kijken
Zwarte en witte scholen, verslag bijeenkomst met Peter Gramberg

Te leen bij het LBR-Documentatiecentrum:

Dors, H. e.a. (1991) Etnische segregatie in het onderwijs: beleidsaspecten.
Amsterdam: SCO - Universiteit van Amsterdam

Gramberg, P. (2000) De school als spiegel van de samenleving. Proefschrift Universiteit van Amsterdam

Penninx, R. (1988) Minderheidsvorming en emancipatie: balans van kennisverwerving ten aanzien van immigranten en woonwagenbewoners 1967 - 1987 Alphen aan den Rijn: Samsom

Tazelaar, K. e.a. (1996) Kleur van de school: Segregatie in het onderwijs. Houten/Diegen: Bohn Stafleu Van Loghem, Houten/Diegen

Teunissen, J. (1988) ‘Witte en zwarte’ scholen in de grote steden. Proefschrift Landbouwuniversiteit Wageningen.

Wijnberg, I. (red) (1998) Een school zwart op wit. Den Haag: E-quality