Gekruid geluid
Nieuws en agenda
Verdieping en achtergrond
Didactiek en methodiek
Beleid en strategie
Begeleiding en training
Feiten en cijfers
Prikbord
Adressen en links
Colofon



Feiten en cijfers
 

       
Alfabetische begrippenlijst 
Abolitionisten: mensen die campagne voerden voor de afschaffing van de slavernij. 

Anton de Kom (1898-1945): een Surinaams anti-koloniale schrijver, nationalist en verzetsstrijder. Hij schreef het bekende boek Wij slaven van Suriname, waarin hij zijn ongenoegen uitte over de Nederlandse overheersing in Suriname. Hij wordt nog steeds herdacht door vele Surinamers. 

Ashanti: stam in Ghana die andere Ghanezen als slaven verkocht aan de Europeanen. 

Asiento: overeenkomst met de Spaanse regering waarin geregeld was dat voor iedere slaaf die werd geïmporteerd in de Spaanse koloniën een bepaald bedrag werd betaald. 

Bomba: slavenopzichter.

Brandmerken: het op de huid branden van het merk van een eigenaar door middel van een gloeiend stuk ijzer of ander metaal. Vaak werden slaven twee keer gebrandmerkt; éérst door de WIC en daarna door de persoon die de slaaf kocht. 

Caribische eilanden: eilandengroep ter hoogte van Midden-Amerika. De Nederlandse Antillen (Curaçao, Bonaire, Sint Maarten, Sint Eustasius en Saba) en Aruba maken hier ook deel van uit. 

Cham: de zoon van Noach. In de bijbel worden hij en zijn zoon Kanaän als de voorvaderen van de Afrikanen beschouwd. Noach had nog twee zonen, Sem en Jafeth, de voorvaderen van de Europeanen en de joden. Nadat Cham zijn vader had uitgelachen omdat deze naakt en dronken was, werd Cham vervloekt en zouden zijn nakomelingen louter als dienaar van de blanken door het leven gaan. Dit gedeelte van de bijbel werd gebruikt door de christenen om de slavernij te rechtvaardigen.

Conquistador: het Spaanse woord voor ‘veroveraar’. Het wordt gebruikt als aanduiding voor alle Spaanse indringers die tijdens de 16e eeuw landen in Noord- en Zuid-Amerika koloniseerden. 

(Surinaamse) Creolen: in Suriname geboren slaven.

Distribueren: het verdelen of verspreiden van goederen, meestal voor de verkoop.

Driehoekshandel of driehoeksvaart: de route die de West-Indische Compagnie vanaf de oprichting 1621 voer. De WIC vetrok uit de Lage Landen met buskruit, vuurwapens en textiel, die in West-Afrika tegen slaven geruild werden. De slaven werden vervolgens in West-Indië geruild tegen onder andere suiker, katoen en tabak. Met die producten voeren de schepen van de WIC weer terug naar Nederland.

Emancipatie: het bevrijden of bevrijd worden. De emancipatie begint in 1863 als alle slaven hun vrijheid terugkrijgen. 

Fort Boekoe: het hoofdkwartier van de Marrons in de oerwouden van Suriname. 

Fort Elmina: Nederlands fort in de Afrikaanse Goudkust (nu Ghana) waar slaven verhandeld en daarna verscheept werden naar de Nieuwe Wereld. 

Franse Revolutie (1789-1799): periode waarin de burgerij in opstand kwam tegen de adel en de geestelijkheid. Na de storm op de Bastille (de staatsgevangenis in Parijs) op 14 juli 1789 volgde een periode van geweld en terreur tegen de hogere klassen. De monarchie werd afgeschaft en de republiek werd geregeerd door de burgerij. Met de leus Liberté, Egalité, Fraternité (vrijheid, gelijkheid en broederschap) werd het vrijheidsdenken onder de bevolking bevorderd en in stand gehouden. De Franse Revolutie heeft ook invloed gehad buiten Frankrijk. Het heeft andere Europese landen maar ook andere volken gemotiveerd in actie te komen, zo ook de slaven in het Caribische gebied die bekend raakten met de Franse Revolutie. 

Granman: het hoofd van een stam Marrons. 

Guiana’s: naam van het gebied dat de noordkust van Zuid-Amerika bestrijkt. Na 1815 waren er vijf Guiana’s: Venezolaans Guayana, Brits Guiana, Nederlands Guiana (Suriname), Frans Guiana en Portugees (Braziliaans) Guiana.

Ladino: een op Curaçao geboren persoon met donkere huidskleur. 

Lorrendraaiers: particuliere slavenhandelaren die het monopolie van het WIC ontdoken door zelf in slaven te handelen en geen vergoeding te betalen. 

Keti koti: letterlijke betekenis is ‘gebroken ketens’. Op 1 juli wordt in Suriname de afschaffing van de slavernij gevierd. Dit feest wordt Keti koti genoemd. 

Kluister: metalen boeien die om de pols of enkel van een gevangene werden bevestigd, zodat deze zich niet goed kon bewegen. 

Kolonie: een land dat wordt bestuurd door de leiders van een andere staat. Deze landen werden eigenlijk gewoon ingepikt (van de originele bevolking of van een ander land) maar Europese staten vonden dat zij het recht hadden om deze landen te bezitten. Suriname was bijvoorbeeld een kolonie van Nederland.

Koto: Surinaamse traditionele kleding. Een koto is een rok, een jaki is een jack en een angisa is een hoofddoek. Met hun kleding wilden de vrouwen een boodschap uitdragen; de kleding functioneerde als een soort geheimtaal. 

Macamba: blanke.

Mancarons/manquerons: slaven met een lichamelijke beperking.

Manumitteren (manumissie): het vrijmaken van een slaaf vóór de officiële afschaffing in 1863. 

Marrons: gevluchte slaven die in het oerwoud van Suriname leefden en opstanden probeerden te veroorzaken op de plantages. 

Monopolie: het alleenrecht om te handelen in bepaalde producten en diensten. 

Mulat: een persoon waarvan de ene ouder blank is en de andere zwart. 

Negotieslaven: slaven die bestemd waren voor de handel.

Nieuwe Wereld, de: de gebieden die na 1492 door de Europeanen werden ontdekt. Over het algemeen worden hier Noord- en Zuid-Amerika mee bedoeld. De Oude Wereld is de wereld die bekend was voor 1492 en bestaat uit Europa, Azië en Afrika. 

Periode van Staatstoezicht: van 1863 tot 1873. Na de afschaffing van de slavernij waren de slaven verplicht om tien jaar lang als (loon)arbeider voor hun meester te blijven werken. Zijn stonden onder contract en onder bijzonder toezicht van de staat.

Pieza de India: eenheid om de waarde van slaven in uit te drukken. Een volwaardige slaaf was één pieza de India, twee kinderen van circa 10 jaar waren samen één pieza de Inda, enzovoorts.

Plantage: een groot landgoed waar gewassen zoals suiker of katoen worden verbouwd.

Planter: een plantage-eigenaar. 

Pombeiro: Portugese tussenpersoon die in slaven handelt.

Sji, Sjon: meesteres, meester.

Slavendrijver: een man die is ingehuurd door een slavenhouder om toezicht te houden op de slaven en laksheid of slecht werk te bestraffen.

Slaaf: persoon die tegen zijn of haar wil en (vaak) onbetaald werk moet verrichten voor een ander. Deze persoon is niet vrij en wordt beschouwd als het eigendom van een andere persoon.

Sociëteit van Suriname: een genootschap dat bestond uit de WIC, de stad Amsterdam en Cornelis Aerssen van Sommelsdijk. Zij waren de eigenaren van Suriname maar stonden onder toezicht van de Staten-Generaal. In 1795 werd de Sociëteit ontbonden en werd Suriname Nederlands staatsbezit. 

Staten-Generaal: de Staten-Generaal waren oorspronkelijk een vergadering van de afgevaardigden van alle gewesten van een land. Binnen de Republiek der Verenigde Nederlanden vormden de vergaderingen van de vertegenwoordigers van de zeven provincies de Staten-Generaal. Naast het bestuur van het land, had de Staten-Generaal ook het bestuur over de koloniën en het toezicht op de VOC en de WIC. De originele Staten-Generaal bestaat niet meer. Binnen het huidige Koninkrijk der Nederlanden wordt de term als benaming voor de volksvertegenwoordiging (Eerste en Tweede Kamer) gebruikt. 

Transatlantische slavernij: de vorm van slavernij tussen ongeveer 1500 en 1880 waarin mensen uit Afrika via een barre boottocht naar Amerika werden vervoerd om daar als slaaf aan het werk te gaan. 

Tula: de bekendste leider van de slavenopstand in 1795 op Curaçao. De opstand werd pas gebroken na drie tegenaanvallen. Tula werd op een gruwelijke wijze gedood.

Vendu: openbare verkoping of veiling.

Vereenigde Oost-Indische Compagnie (1602-1798): een zeer succesvol Nederlands handelsbedrijf dat in de 17e en 18e eeuw het overheidsmonopolie (het recht om als enige bepaalde producten aan te bieden en hun prijs te bepalen) bezat op de handel met Azië. De VOC was lange tijd het grootste handelsbedrijf ter wereld dat op Azië voer en het eerste bedrijf ter wereld dat aandelen uitgaf. 

Vrijgeleide: verklaring van een slavenhouder, die diende als bewijs dat de desbetreffende slaaf de plantage mocht verlaten. 

West-Indische Compagnie (WIC): een organisatie die van de Nederlandse overheid in de 17e en 18e eeuw het monopolie kreeg op de handel met alle koloniën van West-Indië (Noord- en Zuid-Amerika) en West-Afrika. Deze handel stond beter bekend als de driehoekshandel (zie boven). Naast handeldrijven hield de WIC zich ook bezig met oorlogvoering, kolonisatie en de kaapvaart. De eerste WIC werd opgericht in 1621 maar ging failliet in 1674. De tweede WIC werd in dat zelfde jaar opgericht en zou zich nog meer richten op de slavenhandel. In 1791 werd de WIC wegens teruglopende inkomsten alsnog opgeheven. 

Wilde Kust: benaming voor Suriname die in de 17e en 18e eeuw veel gebruikt werd. 

Winti (= wind): de geloofsovertuiging van de creoolse Surinamers. Winti’s zijn beschermengelen die in contact staan met de schepper Anana (God) en de zondige mens. Een Winti beschikt over zowel aardse als hemelse kennis en kan deze doorgeven aan de mens. Winti-aanhangers geloven ook dat hun voorouders en de overledenen zich onder de Winti begeven en hen altijd bescherming en kennis bieden. De overledenen zullen ook altijd worden vereerd en aanbeden.