|
1. Holocaust
2.
De joden in Europa
3. Nationaal-socialisme
4. Nazi-Duitsland 1933-1939
5. Tweede Wereldoorlog
6. Begin van jodenvervolging in veroverde
gebieden
7. De genocide
7.1
Einsatzgruppen
7.2 Aktion Reinhardt
7.3 De vernietigingskampen
8. Slachtoffers
9. Daders
10. Verzet
11. Nederland
12. Erfenis van de Holocaust
1.
Holocaust
De
term holocaust wordt vanaf de jaren 50 gebruikt voor de
genocide op het jodendom in Europa tijdens de Tweede
Wereldoorlog. Het woord holocaust is van Griekse oorsprong en
betekent brandoffer. Er zijn mensen die deze term verwerpen en
het liever over Shoah hebben, Shoah is het moderne Hebreeuwse
woord voor genocide en wordt in het bijzonder gebruikt voor de
genocide op het jodendom tijdens Wereldoorlog II. Het woord
holocaust is wereldwijd echter het meest ingeburgerd.
2. De joden in Europa
Eeuwenlang
zijn in het christelijke Europa de joden de minderheid bij
uitstek geweest. Het was een minderheid die op zijn hoogst
getolereerd werd en vaak vervolgd en verdreven. Joden hadden
geen volwaardige plaats in het christelijke Europa, leefden
veelal noodgedwongen in afzondering en werden met tal van
discriminerende maatregelen geconfronteerd. Vanaf de late
Middeleeuwen stelden de overheden en de bevolking (vooral in
West-Europa) zich steeds negatiever op tegenover joden.
Joden werden uit vele Europese landen verdreven en kwamen met
name terecht in Polen dat toentertijd veel groter was en een
andere geografische ligging had. In de 17de en 18de
eeuw trad er langzaam maar zeker een versoepeling
op en konden joden zich makkelijker in West-Europese
landen vestigen. Vanaf eind 18de eeuw werden veel
discriminerende maatregelen tegen joden opgeheven en werden
joden steeds meer als volwaardige
burgers beschouwd.
Joden gingen zich dan ook steeds meer integreren in de
Europese samenleving. Veel joden assimileerden zelfs. Echter
over de joden was in de loop der eeuwen zo negatief gedacht
dat onder de Europese bevolking heel veel vooroordelen bleven
bestaan. Met de emancipatie van de joden verdwenen deze
negatieve denkbeelden niet. Integendeel, negatieve denkbeelden
over joden werden omgezet in complete ideologieën waarin
joden als een gevaarlijke en machtige groep mensen werden
neergezet die een verderfelijke invloed hadden en zoveel
mogelijk uitgesloten moesten worden. Deze ideologieën worden
aangeduid met de term antisemitisme. Het woord antisemitisme
is dan ook eind 19de eeuw gemunt door de Duitse
journalist Wilhelm von Marr. Hij zelf was antisemiet.
Antisemieten organiseerden in partijen en namen stelling tegen
de integratie van en assimilatie van joden. Joden konden niet
geassimileerd worden. Volgens antisemieten was jood een
raciale categorie. Zelfs als zij christen werden en hun joodse
geloof afzwoeren bleven joden joden en konden zij niet
integreren. In hun propaganda konden antisemieten putten uit
de vele anti-joodse stereotypen die in de loop der eeuwen
waren ontstaan. Niet in alle Europese landen kwam het
antisemitisme even sterk op. Maar zelfs in landen waar het
georganiseerd antisemitisme enige aanhang verwierf, waren er
geen negatieve effecten op
de formele positie van joden. Hun rechtspositie bleef
voorlopig onaangetast. Dat veranderde na de Eerste
Wereldoorlog.
3.
Nationaal-socialisme
De
Eerste Wereldoorlog (1914-1918) veroorzaakte enorme
omwentelingen in Europa. Regimes en complete staten gingen ten
onder. Duitsland behoorde tot de verliezers van de Eerste
Wereldoorlog. De nederlaag leidde tot een revolutie in
Duitsland: de keizer werd weggejaagd en de parlementaire
democratie werd ingevoerd.
De
nederlaag zorgde voor enorm veel ressentiment onder grote
lagen van de Duitse bevolking. Uit dit ressentiment ontstonden
extreem-nationalistische partijen met een virulent racistisch
en antisemitisch wereldbeeld. Eén van deze partijen was de
Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (de NSDAP of
nazi-partij) met als leider Adolf Hitler. Voor Adolf Hitler
waren de joden de grote vijand die uitgesloten en tenslotte
vernietigd moest worden. Voorts was Hitler tegen het
democratische stelsel dat na de Eerste Wereldoorlog in
Duitsland was ingevoerd.
Deze moest worden vervangen door een regime waarbij
één leider (der Führer) het volk vertegenwoordigde en alle
macht in handen had. De aanhang van de nazi-partij bleef
aanvankelijk beperkt. Maar in 1929 brak de grote economische
crisis uit. Het aantal werklozen steeg, en het democratische
regime verloor steeds meer steun. De aanhang van de nazi-partij
werd alsmaar groter. In 1933 stemde een derde van alle
Duitsers op de nazi-partij. Duitsland werd onbestuurbaar. Op
30 januari 1933 werd Hitler
Rijkskanselier van een regering bestaande uit
nationaal-socialisten en conservatieven. De nazi’s hadden de
macht overgenomen.
4.
Nazi-Duitsland 1933-1939
In
heel korte tijd draaiden de nationaal-socialisten of nazi’s
de democratie in Duitsland de nek om. Oppositie werd verboden
en vervolgd en alle maatschappelijke instituties en
organisaties ondergeschikt gemaakt aan de nazi-partij.
Duitsland werd een totalitaire éénpartijsysteem waar elk
vorm van protest met geweld de kop werd ingedrukt. Het
nazi-regime streefde naar een raciaal homogene
volksgemeenschap waar joden uitgesloten moesten worden.
Het nazi-regime nam al heel snel antisemitische maatregelen.
Het regime verbood de werken van joodse schrijvers, het sloot
joden uit van overheidsdienst en stelde quota’s in voor
joodse studenten.
Ook nam het nazi-regime anti-joodse wetten aan. Daartoe moest
gedefinieerd worden wie joods was. De zogenaamde
Neurenberger-wetten die in 1935 van kracht werden, merkten
iedere persoon aan als jood waarvan drie of vier van de
grootouders joods waren. Naar hoe mensen zichzelf definieerden
werd niet gekeken. De Neurenberger-wetten sloten joden uit van
het Duitse staatsburgerschap en verbood joden te huwen of
seksuele relaties te hebben met niet-joden.
Begin
november 1988 werd een medewerker van de Duitse ambassade in
Parijs door een joodse jongen vermoord. Hij deed dat uit
protest tegen de deportatie van Poolse joden uit Duitsland.
Naar aanleiding van deze moord werden in de nacht van 9 op 10
november 1938 in heel Duitsland en Oostenrijk honderden
synagogen in brand gestoken en verwoest. Duizenden joodse
winkels werden kapot geslagen en geplunderd. Tientallen joden
werden omgebracht.
Ongeveer 30.000 mannelijke joden werden gearresteerd en
in concentratiekampen opgesloten. De meeste werden na 6 weken
weer vrijgelaten, maar velen hadden het leven gelaten. Deze
nacht wordt de Kristallnacht genoemd. Het was geen spontane
vervolging maar werd van bovenaf georganiseerd. Rond de 2.000
à 2.500 doden kunnen aan de Kristallnacht worden
toegeschreven.
Na de Kristallnacht nam het nazi-regime tal van maatregelen om
joden maatschappelijk te isoleren. Joden werden uitgesloten
van scholen, universiteiten, uitgaansgelegenheden en vele
beroepen.
5.
Tweede Wereldoorlog
Het
nazi-regime voerde niet alleen een agressieve politiek naar
binnen toe maar ook naar buiten toe. De nederlaag van de
Eerste Wereldoorlog moest worden gewroken en de verliezen
goedgemaakt. Maar de ambities van Hitler gingen veel verder.
Heel Oost-Europa moest een wingewest worden van Duitsland
waarbij inferieure volkeren zoals de Slavische volkeren
voorbestemd waren voor een ondergeschikte positie. In 1936
trokken de Duitse troepen het gedemilitariseerde Rijnland
binnen, in 1938 werd Oostenrijk ingelijfd,
in 1939 werd Tsjechoslowakije ontbonden en het
Tsjechische deel bij Duitsland ingelijfd. De overige landen
bleven passief toekijken. Dat veranderde toen in september
1939 Duitsland Polen binnenviel. Frankrijk en het Verenigd
Koninkrijk
verklaarden Duitsland de oorlog en de Tweede
Wereldoorlog was een feit. De expansiedrift van nazi-Duitsland
bleek echter ontoombaar: Polen werd veroverd in 1939,
Noorwegen, Denemarken, Frankrijk, België, Nederland
en Luxemburg werden in 1940 veroverd, en Joegoslavië
en Griekenland werden in 1941 veroverd. Landen als Hongarije,
Roemenië en Bulgarije maakten hun beleid ondergeschikt aan
dat van Duitsland. In juni 1941 viel Duitsland de Sovjet-Unie
binnen en veroverden heel snel grote delen van de Sovjet-Unie.
6.
Begin van jodenvervolging in veroverde gebieden
In
alle veroverde gebieden nam de Duitse bezettingsmacht
maatregelen tegen de joodse bevolking. Veel van deze
maatregelen waren een weerspiegeling van de anti-joodse
maatregelen die al in Duitsland waren genomen om joden uit te
sluiten van het openbare leven.
In
Oost-Europa werden in 1939-1941 rond de 400 getto’s
ingericht. Getto’s waren wijken
waar joden gedwongen werden te leven onder zulke
miserabele omstandigheden dat vele bewoners om het leven
kwamen. Getto’s waren vaak fysiek gescheiden van de omgeving
door muren of prikkeldraad. In 1942 en 1943 liquideerden de
Duitsers de getto’s. Inwoners van de getto’s werden
gedeporteerd naar vernietigingskampen en concentratiekampen
waar het overgrote deel werd vermoord.
Het grootste getto was dat van Warschau waar 450.000 joden
leefden. Deportaties uit het getto van Warschau begonnen in
1942. In april en mei 1943 vonden de laatste deportaties
plaats na een opstand van de gettobewoners die wel een maand
duurde.
7.
De genocide
In
1941 gingen de nazi’s over tot een systematische vervolging
en vernietiging van de joden. Er bestonden plannen om joden te
deporteren uit Europa (het Madagascar-plan) maar deze kwamen
nooit tot uitvoering. Pas na de inval in de Sovjet-Unie ging
het leiderschap van het nazi-regime over tot concrete
maatregelen om joden op grote schaal te vermoorden. De
nazi’s hadden het over 'Endlösung' (eindoplossing) van het
jodenvraagstuk. Deze 'Endlösung' kwam neer op het vermoorden
van miljoenen joden. De exacte datum waarop het nazi-regime
overging van de algemene wens om de joden uit te roeien naar
concrete plannen is niet bekend. Het ging waarschijnlijk meer
om een geleidelijk proces dan één enkele beslissing. Het
verslag van de Wannsee Conferentie op 20 januari 1942, waar
vertegenwoordigers van de nazi-regering en de SS de
organisatie van de jodenvernietiging bespraken, is één van
de weinige documenten die licht werpen op dit proces.
7.1
Einsatzgruppen
De
eerste stap in de vernietiging van joden in kampen was de
inzet van Einsatzgruppen in de door Duitsland bezette delen
van de Sovjet-Unie. Deze Einsatzgruppen bestonden uit SS’ers
onder leiding van functionarissen van de Sicherheitspolizei en
Sicherheitsdienst (twee diensten die deel uitmaakten van de
SS). Einsatzgruppen vermoordden op grote schaal joden maar ook
Roma en functionarissen van de Sovjet-Unie. De Einsatzgruppen
werden bijgestaan door eenheden van het Duitse, Hongaarse en
Roemeense leger en door lokale vrijwilligers (met name Esten,
Letten. Litouwers en Oekraïners). Alle joden die deze groepen
tegenkwamen werden ter plekke
vermoord en begraven. Ten minste een miljoen joden
werden op deze manier vanaf 1941 tot en met 1943 vermoord.
7.2
Aktion Reinhardt
Een
volgende stap in de jodenvernietiging was het plan Aktion
Reinhardt, met Odilo Globnick als eindverantwoordelijke.
Globnick was de chef van de politie en SS in het district
Lublin van het bezette Polen. Doel van dit plan was de
systematische vernietiging van de Poolse joden. Het plan ging
van start eind 1941. In het kader van dit plan werden in bezet
Polen de vernietigingskampen Belzec, Sobibor en Treblinka
gebouwd. Naar deze kampen werden veel joden uit de Poolse
getto’s gebracht en onmiddellijk vermoord middels vergassing
door koolmonoxide. Deze kampen waren dus geen
concentratiekampen maar vernietigingskampen waar mensen
onmiddellijk na hun aankomst omgebracht werden.
Meer dan anderhalf miljoen joden uit Polen en enkele andere
landen (waaronder Nederland) werden vermoord in het kader van
Aktion Reinhardt. Slachtoffers waren niet alleen joden maar
ook talloze Roma, Polen en krijgsgevangenen uit de
Sovjet-Unie.
7.3
De vernietigingskampen
Naast
de vernietigingskampen Belzec, Sobibor en Treblinka werden nog
drie andere vernietigingskampen gebouwd: Chelmno, Majdanek en
Auschwitz-Treblinka. Alle drie lagen in bezet Polen.
Chelmno was het eerste vernietigingskamp van de nazi’s. Het
was het eerste kamp waar gifgas (koolmonoxide) werd gebruikt
om mensen om te brengen. De eerste vergassingen vonden plaats
op 8 december 1941 en duurden tot maart 1943. Tenminste
150.000 mensen zijn in Chelmno vermoord, meest Poolse joden.
Majdanek
was een concentratiekamp en vernietigingskamp tegelijk. Er
stierven daar naar schatting 200.000 mensen meest door
uitputting en ziekten. Een onbekend aantal mensen stierf in de
gaskamers. Tot de slachtoffers behoorden joden (met name uit
Polen), niet-joodse Polen en krijgsgevangen afkomstig uit de
Sovjet-Unie.
Het
grootste en bekendste kamp was Auschwitz dat lag nabij de
Poolse stad Oswiecim (Auschwitz in het Duits).
Dit kamp was net als Majdanek een vernietigingskamp en
een concentratiekamp. Het was eigenlijk meer een complex dat
bestond uit drie kampen:
Auschwitz I, Auschwitz II (Birkenau), en Auschwitz III
(Monowitz).
Het was met name Auschwitz II of Auschwitz-Birkenau dat
een belangrijke rol speelde in de jodenvernietiging. Naar
Auschwitz-Birkenau werden honderdduizenden joden gebracht om
te worden vermoord. Vanaf 1942 tot en met de zomer van 1944
arriveerden er dagelijks treinen uit alle delen van Europa. In
het kamp stonden gaskamers waar de slachtoffers middels het
gifgas Zyklon-B werden omgebracht.
Op 27 januari 1945 bevrijdden Sovjet-troepen Auschwitz. De
meeste gevangen die nog in leven waren, waren kort daarvoor al
door de SS
gedwongen tot dodenmarsen naar andere kampen die
westelijker lagen. Meer dan een miljoen joden en 10.000’en
Roma, Polen en krijgsgevangen uit de Sovjet-Unie werden in
Auschwitz vermoord.
8.
Slachtoffers
Schattingen
van het aantal joden dat is omgebracht tijdens Wereldoorlog II
lopen uiteen van 5,1 miljoen tot 6,1 miljoen. Het meest
aangehaalde aantal is zes miljoen. Meeste van de omgebrachte
joden waren afkomstig uit Polen (3 miljoen) en Sovjet-Unie (1
miljoen) omdat daar nu eenmaal de meeste joden woonden. Zo’n
tweederde van alle joden in Europa zijn vermoord tijdens de
Tweede Wereldoorlog.
Niet alle joden in Europa zijn vermoord omdat een aantal joden
leefden in landen of gebieden die niet onder controle kwamen
van de Duitsers. Daarnaast waren enkele
landen (met name Denemarken en Bulgarije) in staat hun
joodse bevolking tegen vervolging te beschermen. Ook werkten
in alle landen het vervolgingsapparaat niet even effectief en
wisten vele joden te ontsnappen of onder te duiken.
Maar
niet alleen joden waren het slachtoffer van de vervolging- en
vernietigingsdrift van de nazi’s. Eén van de eerste groepen
slachtoffers waren de gehandicapten in Duitsland. Tijdens
zogenaamde euthanasieprogramma’s
werden duizenden lichamelijke en geestelijke
gehandicapten vermoord. Tijdens de bezetting van Polen poogden
de nazi’s de Poolse elite en intelligentsia systematisch uit
te moorden om zo de Poolse cultuur te vernietigen en de Polen
in een slavenvolk te veranderen. De oorlog tegen de
Sovjet-Unie werd gezien als een vernietigingsoorlog om
levensruimte voor Duitsland.
Zo’n 3,5 miljoen krijgsgevangenen en vele miljoenen
Sovjet-burgers werden daarbij omgebracht. Daarnaast werden
Sinti en Roma vervolgd op basis van hun etnische afkomst, net
als de joden. Honderdduizenden Sinti en Roma werden vermoord.
9.
Daders
Eerstverantwoordelijke
voor de holocaust was het nazi-regime, met Adolf Hitler als
leider voorop. Daarnaast waren er de vele andere nazi’s, de
verschillende Duitse overheidsdiensten en de Duitse
politiediensten die verantwoordelijk waren voor de holocaust.
Een hoofdrol werd gespeeld door de SS.
De SS was van oorsprong een soort veiligheidsdienst van
de nazi-partij maar groeide onder leiding van Heinrich Himmler
uit tot een immens veiligheidsapparaat waar uiteindelijk alle
politiediensten in Duitsland deel van uitmaakten. De
SS-functionaris Eichmann coördineerde de deportaties uit
West-Europa, Midden-Europa en Zuid-Europa naar de
vernietigingskampen. Maar zonder medewerking van vele anderen
was de holocaust niet mogelijk geweest. Het Duitse leger (de
Wehrmacht) speelde een belangrijke ondersteunende rol, met
name in Oost-Europa waar de Einsatzgruppen van de SS actief
waren. Bij de moordpartijen in Oost-Europa en in de
vernietigingskampen namen lokale vrijwilligers uit de Oekraïne
en de Baltische staten actief deel aan het
vernietigingsproces. In alle landen waren er mensen en sociale
bewegingen die met de Duitsers samenwerkten. Voorts werden in
de bezette gebieden de Duitsers bijgestaan door de lokale
politiediensten en overheden. De mate van collaboratie van de
lokale overheden bij de vervolging van de joden scheelde van
land tot land.
Sommige
landen die niet bezet waren maar wel hun beleid ondergeschikt
hadden gemaakt aan dat van Duitsland namen actief deel aan de
vervolging van joden en namen daarbij vaak zelf het
initiatief. Voorbeelden daarvan zijn Roemenië, Hongarije
en Vichy-Frankrijk. Roemenië erkende pas in 2004 de
rol die het speelde tijdens de Holocaust. Een officiële
commissie presenteerde eind 2004 een rapport waarin staat dat
de Roemeense autoriteiten in de oorlog verantwoordelijk waren
voor de dood van tussen de 280.000 en 380.000 joden, niet
alleen in Roemenië maar ook in het bezette deel van de
Sovjet-Unie. Toch was het Roemeense regime minder fanatiek dan
het Duitse regime en nam op het eind van de oorlog enkele
stappen terug. In totaal kwam 47 procent van de joodse
bevolking van Roemenië om het leven.
Een land als Bulgarije daarentegen weigerde zijn medewerking
aan nazi-Duitsland. Het leverde geen joodse onderdanen uit.
De joden uit de door Bulgarije bezette gebieden werden
daarentegen wel uitgeleverd aan de Duitsers.
Twee regimes die net zo moorddadig waren als het Duitse
nazi-regime waren het Ustasi-regime in Kroatische gedeelte van
Joegoslavië en het Hlinka-regime in Slowakije. Beide regimes
waren dan ook in het zadel geholpen door de Duitsers.
10.
Verzet
Mensen hebben zich verzet tegen de vervolging van joden. Ten eerste was er
het verzet van de joden zelf. In de getto’s werden er
verzetsgroepen opgericht. Bij de liquidatie van de getto’s
ontstonden er opstanden. Beroemd is de opstand in het getto
van Warschau in 1943. De Duitsers hadden ook te kampen met het
joods verzet in Krakau, Bialystok, Czestochowa, Bedzin,
Sosnowiec, en Tarnow. Er waren zelfs opstanden in de
vernietigingskampen Treblinka, Sobibor, and Auschwitz in de
jaren 1943 en1944. Ook sloten zich joden aan bij diverse
verzetsgroepen.
Voorts doken joden onder of vluchtten naar veilige landen.
Voor het onderduiken had men veelal hulp van niet-joden nodig.
In vele landen waren er netwerken die joden hielpen om onder
te duiken.
11.
Nederland
In
Nederland woonden aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog
zo’n 140.00 joden in Nederland. Daarvan werden er
102.000 omgebracht tijdens de oorlog, het meest daarvan in de
kampen in bezet Polen.
Al snel nam de Duitse bezetter na de verovering van Nederland
in mei 1940 maatregelen tegen de joden die erop gericht waren
om hen uit te sluiten van het openbare leven en zo veel
mogelijk
te isoleren.
Een aantal voorbeelden. Op 14 september 1940 werden
joden geweerd van markten in Amsterdam.
Op 21 november 1940 werden joden in overheidsdienst
ontslagen. In januari 1941 werden joden uit bioscopen geweerd
en in september 1941uit alle overige uitgaansgelegenheden. Het
werd joden onmogelijk gemaakt om te studeren en ook steeds
meer beroepen werden voor joden uitgesloten. In 1942 werden de
Neurenberger-wetten feitelijk ingevoerd in Nederland en werd
het de joden verplicht de jodenster te dragen.
Tevens vonden er razzia’s plaats tegen joden. Eén zo’n
razzia in februari 1941 leidde tot publieke verontwaardiging.
Er brak een staking uit (de Februaristaking) die de kop werd
ingedrukt.
In 1942 werd het tempo van de razzia’s opgevoerd en in de
zomer van 1942 begonnen de deportaties van de Nederlandse
joden naar Oost-Europa. Voordat de Nederlandse joden naar de
kampen in het oosten werden afgevoerd, kwamen zij terecht in
het kamp Westerbork in Drenthe. Oorspronkelijk was dit in 1939
ingericht om joodse vluchtelingen op te vangen. Het kamp bleef
functioneren tijdens de oorlog en van 1942 tot 1944 diende het
als doorgangskamp voor de Nederlandse joden. Van juli 1942 tot
en met september 1944 deporteerden de Duitsers 97.776 joden
vanuit Westerbork: 54.930 naar Auschwitz in 68 transporten,
34.313 naar Sobibor in 19 transporten,
4.771 naar het getto van Theresienstadt in 7
transporten en 3.762 naar het concentratiekamp Bergen-Belsen.
Van degenen die naar Auschwitz and Sobibor werden gedeporteerd
werden, werden de meesten onmiddellijk vermoord.
In
vergelijking met andere West-Europese landen zijn in Nederland
veel joden vermoord of afgevoerd. In Nederland kwam zo’n 75
procent van de joden om het leven tijdens de oorlog. In België
was dit 44 procent, in Frankrijk 22 procent en in Denemarken
nog geen 1 procent. Vaak wordt beweerd dat in alleen in Polen
meer joden zijn vermoord dan in Nederland. Dat is niet waar.
Van de Poolse joden kwam ruim 90 procent om het leven. Maar er
zijn een aantal Oost-Europese landen waar het aantal
omgebracht joden hoger was dan of even hoog was als in
Nederland: Litouwen (78%), Letland (78%), Joegoslavië (81%)
Griekenland (86%), Slowakije (80%).
De vraag is waarom er zoveel Nederlandse joden tijdens de
oorlog zijn vermoord in vergelijking met andere West-Europese
landen. Daarover is er veel discussie geweest en worden
verschillende verklaringen gegeven. Ontsnappingsroutes voor
Nederlandse joden waren heel beperkt, dit in tegenstelling tot
bijvoorbeeld de joden in Denemarken en Noorwegen die naar
Zweden konden ontkomen. Nederland had een burgerlijk
bezettingsbestuur met veel gemotiveerde nationaal-socialisten
die prioriteit legden bij de vervolging van joden, dit in
tegenstelling tot de militaire bezettingsbesturen in België
en Frankrijk. In Nederland werden bijvoorbeeld al heel vroeg
anti-joodse maatregelen genomen. Ook blijkt dat de Nederlandse
autoriteiten en de Nederlandse bevolking in het algemeen zeer
gezagstrouw en coöperatief aan de jodenvervolging meewerkten.
Dat gold ook voor de Nederlandse joden zelf. Zo waren er bij
de Nederlands politie speciale eenheden ingericht die zich
bezighielden met de opsporing en vervolging van joden. Voorts
was er de aanwezigheid van een goede bevolkingsregistratie
waar de bezetter van gebruik heeft gemaakt.
In
Nederland zelf zijn er ook grote verschillen geconstateerd.
Dat blijkt uit de studie ‘Gif laten we niet voortbestaan’
van de historicus en politicoloog M. Croes en socioloog P.
Tammes.
Zij hebben de percentages overlevende joden per plaats en
provincie geordend. Joden die in de Tweede Wereldoorlog
onderdoken in gemeenten waar veel katholieken woonden, hadden
meer kans de oorlog te overleven dan joden die in gemeenten
waar veel gereformeerden wonen een schuilplaats zochten. Hun
kans op overleving heeft niet samengehangen met het aantal
NSB'ers in de gemeente of met de gezindheid van de
burgemeester.
Gereformeerden waren opvallend vaak betrokken bij
georganiseerd verzet tegen de Duitsers. Dat had echter een
onbedoeld bijeffect: de Duitsers richtten hun aandacht meer op
deze gemeenschappen en deden daar meer invallen. Daarbij
vonden zij ook meer ondergedoken joden, die vervolgens zijn
gedeporteerd. De beide onderzoekers schatten op basis van tot
nu toe ongebruikte bronnen dat in Nederland 27.995 joden
hebben geprobeerd onder te duiken. Dat aantal is aanzienlijk
hoger dan de ruim 22.000 die tot nu toe als maximum gold.
12.
Erfenis van de Holocaust
De
Duitsers deden er alles om de genocide op de joden zoveel
mogelijk verborgen te houden. Bij een misdaad van die omvang
is dat onmogelijk. Tijdens de oorlog sijpelde er berichten
naar buiten over de genocide. Toch waren de pogingen van de
nazi’s wel degelijk succesvol in die zin dat in de jaren
vlak na oorlog er weinig publieke aandacht was voor de
Holocaust. Er was wel aandacht in het algemeen voor de
gruwelijke misdaden die de nazi’s hadden gepleegd tijdens de
Tweede Wereldoorlog. De genocide op het jodendom nam echter
geen aparte plek in. Tijdens de processen in Neurenberg waar
de belangrijkste oorlogsmisdadigers terechtstonden, stond de
jodenvernietiging niet apart op de agenda.
De ommezwaai in de publieke opinie kwam tijdens het
Eichmann-proces in Israël begin jaren 60. Tijdens dit proces
werd de moord op Europese joden voor de eerste keer het
centrale thema in een rechtszaak. In Nederland werd de moord
op Nederlandse joden een centrale gebeurtenis in de
Nederlandse geschiedenis. Met name de publicatie van de 'Ondergang.
De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom
1940-1945' van de Amsterdamse historicus Jacques Presser dat
uitkwam in 1965, zorgde voor veel maatschappelijke discussie.
Ook in andere landen groeide de maatschappelijke aandacht
voor de holocaust. Dit uitte zich in een steeds grote
stroom van onderzoeken, publicaties, documentaire en films
over de Holocaust.
Als reactie kwam ook het negationisme (of revisionisme)
op: de ontkenning van de Holocaust.
De aandacht voor de holocaust houdt echter aan.
Eddie
Nieuwenhuizen, februari 2005
|