Gekruid geluid
Nieuws en agenda
Verdieping en achtergrond
Didactiek en methodiek
Beleid en strategie
Begeleiding en training
Feiten en cijfers
Prikbord
Adressen en links
Colofon



Feiten en cijfers
 

       
Lonsdale een racistenmerk?
Gegevens
- Auteur: Johan Vermeeren
Tekst

Lonsdale een racistenmerk?

Het kledingmerk Lonsdale is de laatste jaren zeer populair onder jongeren, maar het merk is omstreden. Lonsdale werd tot voor kort vooral door skinheads gedragen en omdat die de naam hebben racistisch te zijn, heeft ook Lonsdale dit predikaat  gekregen. Incidenten waarbij Lonsdale een rol speelt komen de laatste tijd regelmatig voor en op straat zou Lonsdale staan voor: Laat Ons Nederlanders Samen De Allochtonen Langzaam Executeren... Maar waarom dragen jongeren tegenwoordig Lonsdale en zijn ze ook werkelijk racistisch? Om het antwoord op deze vragen te vinden moeten we even teruggaan in de tijd.

The Mods

Begin jaren zestig raakte Groot-Brittannië in de greep van de Mods (Modernists): jongeren uit de arbeidersklasse, die door de afschaffing van de dienstplicht en het herstel van de Britse economie tijd en geld hadden om zich als jeugdgroep te manifesteren. De Mods luisterden naar rhythm & blues, ska (meegebracht door immigranten uit Jamaica) en moderne jazz (waaraan ze hun naam dankten). Ze zetten zich af tegen de crisismentaliteit van hun ouders, hulden zich in dure merkkleding en scheurden rond op prijzige scooters. Hun uitstraling was strak, niet in de laatste plaats door hun amfetaminegebruik.

Voorop in de Mod-cultuur liepen de Aces, de modieuze trendsetters. Ze werden gevolgd door de Tickets of Numbers, grote groepen die door vechtpartijen danszalen, bioscopen en cafés onveilig maakten.

Maar de Mods verloochenden hun afkomst niet. Met hun kleding verwezen ze duidelijk naar het rauwe, chauvinistische en klassenbewuste arbeidersmilieu waaruit ze voortkwamen. Drie merken speelden een belangrijke rol: Fred Perry, Lonsdale en Ben Sherman.

·       Fred Perry was een Engelse tennisser uit de arbeidersklasse die in de jaren dertig drie maal Wimbledon won. Na zijn carrière verbond hij zijn naam aan een kledinglijn. De Mods droegen Fred Perry’s als eerbetoon aan deze ‘held van de arbeidersklasse’.

·        Lonsdale dankt zijn naam aan Hugh Cecil Lowther, 5th Earl of Lonsdale (1857-1944), de grondlegger van de georganiseerde bokssport in Groot-Brittannië. In 1960 verbond het geslacht Lonsdale haar naam aan een kledinglijn (sportkleding, bokstenues). Mods droegen Lonsdale omdat het bij hun straatvechtersmentaliteit paste.

·       Ben Sherman was een joodse ondernemer die zijn eerste winkel opende in de bij Mods zo populaire badplaats Brighton. Dit, met het feit dat het een puur Brits merk was, maakte ook Ben Sherman erg gewild onder de Mods.

Hard mods en skinheads

Midden jaren zestig belandde de Britse economie echter in een crisis. Veel Mods konden het hoge consumptieniveau niet handhaven en grepen terug naar hun proletarische roots. Dit leidde tot een idealisering van het arbeidersmilieu en daarbij behorende normen en waarden als fysieke kracht en mannelijkheid. Geweld speelde een belangrijke rol en de skinheads (zoals de Hard Mods al snel werden genoemd) bouwden een geduchte reputatie op als all round hooligans. Rond voetbalvelden en op straat waren hippies, fans van rivaliserende clubs, intellectuelen, buitenlanders en homo’s het mikpunt van hun agressie. Hun muziek was nog altijd ska, maar de merkkleding ruilden ze in voor werkkleding.

Opmerkelijk genoeg was deze eerste generatie skinheads het product van een vermenging van twee etnische groepen: blanke arbeiderskinderen en jonge Jamaicaanse immigranten (rude boys).

Deze groepen leefden naast elkaar in de oude wijken van de grote steden. Beide groepen zaten in de hoek waar economisch de hardste klappen vielen en namen elkaars cultuur over. Zo luisterden de skinheads naar zwarte artiesten als Desmond Dekker en Prince Buster. Maar de groepen verschilden te veel van elkaar om voor langere tijd gelukkig getrouwd te blijven. Met het verstrijken van de jaren richtten zowel de rude boys als de skinheads zich steeds meer op de eigen etnische achtergrond.

Het uiterlijk van de skinheads had een duidelijke betekenis.

·         Skinheads knipten hun haar zo kort dat de hoofdhuid te zien was om zichzelf daarmee buiten een samenleving te plaatsten, waarin lang hippiehaar de trend was. Overigens is een kaal geschoren kop eerder een symbool van verstoting door de maatschappij dan een uiting van rechts-extremisme. In nazi-Duitsland mochten SA’er en SS’ers zichzelf niet kaal scheren. De nazi’s scheerden wél hun slachtoffers kaal, degenen die niet meer in hun maatschappij pasten (wat in mei 1945 ook weer met de ‘moffenmeiden’ gebeurde). Kort haar had ook een praktische functie: het gaf tegenstanders bij vechtpartijen geen houvast.

·         Skinheads trokken de toen nog goedkope werkschoenen van Dr. Martens (Doc Martens) aan. Ook die hadden een praktische functie: er konden flinke trappen mee worden uitgedeeld.

·         Skinheads droegen broeken met hoog opgerolde pijpen. In de eerste plaats omdat ze vaak uit grote arbeidersgezinnen kwamen en (te grote) afdankertjes van oudere broers moesten afdragen. In de tweede plaats om met hun opgepoetste Doc Martens te pronken.

·         De broeken werden opgehouden met bretels, die bóven de kleding werd gedragen. De parka’s en chique regenjassen werden ingeruild voor ‘ordinaire’ spijkerjacks.

·         De Fred Perry’s, Lonsdale’s en Ben Shermans bleven om dezelfde redenen als voorheen. Daarbij waren de poloshirts van Fred Perry, die bestaan uit een basiskleur die is afgezet met gekleurde biezen, een goedkoop alternatief voor de dure voetbalshirts in clubkleuren.

·         Skinheads slikten geen amfetamines maar dronken bier, heel veel bier.

De skinheadbeweging beleefde haar hoogtepunt in 1969 en bloedde daarna langzaam dood.

Oi!

Eind jaren zeventig kende skinhead een opleving. Toen punk in 1978 commercieel gemeengoed was geworden, bracht de Streetpunk of Oi! de punkmuziek weer terug naar de straat, terug naar de jongeren uit de arbeidersklasse. Streetpunk of Oi! was hard, snel, simpel en radicaal. De ruwe, lompe dansen die erbij hoorden (moonstomp, pogo) pasten perfect bij het op mannelijkheid gerichte imago van de skinheads. Maar het stootte meisjes af en ook de rude boys haakten af. Skinhead werd aantrekkelijk voor radicale jongelui en politiek deed haar intrede.

Begin jaren tachtig verkeerde Groot-Brittannië in een diepe economische crisis. Van de autochtone jongeren was 50% werkloos, van de allochtone jongeren zelfs 60%. De maatschappelijke verhoudingen stonden op scherp en vechtpartijen waren aan de orde van de dag. De structurele werkloosheid en uitzichtloosheid van veel skinheads bleek een prima voedingbodem voor extreme politieke boodschappen, van extreemlinkse maar vooral ook van extreemrechtse signatuur.

Bands als Skrewdriver (‘schroevendraaier’, een prachtige verwijzing naar de arbeidersklasse…) deden in de jaren tachtig hun uiterste best om hun white power-boodschap aan de man te brengen (de in 1993 overleden zanger Ian Stuart was een voorman van het British National Front). Maar het BNF kreeg nooit echt grip op de onberekenbare skinheads. Het rechts-extreme imago zijn de skinheads echter nooit meer kwijtgeraakt, ondanks verwoede pogingen van het in 1986 gevormde SHARP (Skinheads Against Racial Prejudice) om dat beeld om te vormen.

Begin jaren tachtig verschenen er ook buiten Groot-Brittannië skinheads. In met name Duitsland en in de Verenigde Staten werd echter vooral de rechts-extremistische versie geïmporteerd, waardoor skinhead hier bijna synoniem is geworden met racist.

De nieuwe skinheads kregen het bekende ‘uniform’.

·         Een volledig kaal geschoren hoofd.

·         Geen spijkerjacks maar zwarte of groene bomberjacks.

·         Witte T-shirts of T-shirts met een bandnaam erop.

·         Spijkerbroeken van Levi’s met hoog opgerolde pijpen.

·         Doc Martens of kisten.

·         Legerkleding en camouflagekleding.

 

Aan sommige kledingitems werd ook een expliciete politieke betekenis gegeven.

·         Linkse skins regen hun Doc Martens vast met rode veters, rechtse met witte of gele veters. (Witte veters = ‘positieve’ boodschap: White Pride, trots op het blanke ras. Gele veters = ‘negatieve’ boodschap: hekel aan niet-blanken.)

·         Bij die veters pasten bretels in dezelfde kleuren.

·         Als shirts van Lonsdale onder een open jack werden gedragen, dan kon de goede verstaander in de merknaam NSDA lezen. Bijna de naam van de Hitlers NSDAP (National Sozialistische Deutsche Arbeiter Partei).

·         In Duitsland werd het zwarte poloshirt van Fred Perry populair. Dit shirt was afgezet met een witte en rode bies. Zwart, wit en rood waren de kleuren van de oude Keizerlijke vlag.

De groep skinheads is nooit heel erg groot geweest, maar heeft door de associatie met extreemrechts gedachtegoed vooral in de media onevenredig veel aandacht gekregen.

Gabbers of skinheads?

Hoewel de jongeren die nu in Lonsdale rondlopen al snel het predikaat ‘skinhead’ krijgen opgeplakt, is de huidige populariteit van het merk niet te danken aan een heropleving van skinhead, maar van gabber. Toen rond 1997 iedereen in Nederland met een kale kop rondliep, was voor de gabbers de lol eraf. Ze mikten hun Aussies in de kast, lieten hun haar groeien en namen een deel van de kledingstijl van de skinheads over. Vooral Lonsdale. Waarom?

Allereerst omdat het mooie, nette en sportieve kleding is. Eind jaren negentig ging het Nederlandse jongeren voor de wind en dat wilden ze ook graag laten zien. Daarnaast omdat Rotterdam, de bakermat van de hardcore, een echte arbeidersstad is. En gabbers komen voornamelijk uit hetzelfde sociale milieu als de eerste en tweede generatie skinheads. Bovendien hebben Lonsdale en kisten een erg ruige uitstraling en kost het een jongere weinig moeite om in deze kleding een ferme pose en een agressieve uitstraling te creëren. Tenslotte omdat gabbers door hun bomberjacks toch al op één hoop werden gegooid met skinheads.

Dat we hier te maken hebben met gabbers blijkt uit gesprekken met deze jongeren. Ze geven zelf aan dat ze Lonsdale vooral dragen omdat ze gabber zijn. Daarnaast wijzen hun uitingen op internet ook in die richting. Op chatsites als Partyflock en Cu2

gebruiken ze bijnamen die verwijzen naar hardcore (housemuziek van boven 120 Beats Per Minute). Een Lonsdale-groep uit Zoetermeer discussieerde op haar website over een groepsnaam en kwam met de volgende mogelijkheden: Hardcore 4 Life, Sweetlake Hardcore Nation en Dutch Hardcore Federation. De keuze viel uiteindelijk op Master Pogo Team, een naam die wat meer in de richting wijst van skinhead (pogo is een skinheaddans). Het is natuurlijk mogelijk dat deze gabbergroepen zich uiteindelijk tot een derde generatie skinheads ontwikkelen. Dat zou dan betekenen dat de jeugdstroming skinhead voor de derde keer van muziek wisselt. Vooralsnog overheerst echter het gabberelement. We hebben hier dus met gabbers te maken, niet met skinheads. Overigens zijn de Lonsdale-gabbers onder ‘echte’ skinheads bepaald niet geliefd. De skins vinden het maar niks dat hun stijl zo maar wordt gekopieerd en dat Jan-en-alleman er nu in rond marcheert.


Wel of niet extreemrechts?

De vraag is nu natuurlijk of jongeren die Lonsdale dragen extreemrechts zijn? De Nederlandse vlag, die zo vaak terug te vinden is op hun bomberjacks en websites, lijkt in die richting te wijzen. Maar de reden dat gabbers hun kleding in het begin van de jaren negentig opsierden met Nederlandse vlaggetjes had toch een andere reden. In de hele wereld werd house gemaakt, maar gabberhouse was een Nederlandse uitvinding. En daarop waren de gabbers toen (en zijn de gabbers nu) vreselijk trots. De Nederlandse gevoeligheid voor uitingen van nationalisme zorgde voor een golf van verontwaardiging. Gabbers gebruikten die ophef vooral om te shockeren en te provoceren. Een typische tegendraadse reactie van pubers.

Met de huidige Lonsdale-gabbers is dat niet anders. Een groot deel van deze groep bestaat uit meelopers. Ze volgen de nieuwe trend en kopiëren kleding en houding, zonder daar verder een veel diepere betekenis aan te geven. Net als de gabbers in de jaren negentig zien ook zij welke reactie ze daarmee uitlokken. Lonsdale-gabbertjes van 11 jaar met kisten en zwarte Masters of Hardcore bomberjacks (hoewel ze nog veel te jong zijn om MOH-feesten te mogen bezoeken) zijn geen uitzondering meer. En daarmee komt waarschijnlijk ook het einde van de hype waarschijnlijk in zicht. Wat blijft er voor een 17-jarige nog over van het ruige Lonsdale-imago als hij 11-jarige ‘Lonsdale-kleuters’ naast zich vindt?

Maar er is wel degelijk ook een groep jongeren die met Lonsdale een boodschap wil uitdragen die tegen allochtonen is gericht. De groep heeft ook een naam: de nazi’s. Dat betekent overigens niet dat deze jongeren ook meteen aanhangers zijn van het nationaal-socialisme. Voor een 15-jarige heeft de term ‘nazi’ een veel minder zware lading als voor een volwassene. Maar hoe is het te verklaren dat Nederland 60 jaar na de bevrijding groepen jongeren kent die nazi’s worden genoemd?

Allereerst zijn de meeste gabbers afkomstig uit een conservatief sociaal milieu. Minderjarige gabbers bezoeken meestal het VMBO, meerderjarige gabbers zijn over het algemeen werkende jongeren. Ze komen uit een milieu dat veranderingen schuwt en alles wantrouwt wat een bedreiging kan vormen voor de eigen, soms wankele, maatschappelijke positie. Allochtonen worden door deze jongeren gezien als een bedreiging voor hun toekomstige huisje-boompje-beestje.

Daarbij is de houding van de Nederlanders ten opzichte van allochtonen sterk veranderd sinds ze weer mogen zeggen wat ze denken. Jongeren vormen daarop geen uitzondering, alleen zijn jongeren in hun opvattingen, hun taalgebruik en hun doen en laten altijd extremer dan volwassenen. In die zin verschillen deze jongeren dus weinig van de 1,6 miljoen Nederlanders die op de Lijst Pim Fortuyn hebben gestemd vanwege de spierballentaal van haar lijsttrekker ten opzichte van allochtonen. Het

verschil zit in de radicaliteit die kenmerkend is voor de jeugd.

Tenslotte zijn jongeren de laatste jaren veel meer gewend om radicale meningen te uiten. Internet maakt het mogelijk om dat vanachter een beeldscherm relatief anoniem te doen. Maar op internet onder een stoere bijnaam stoere praat verkopen over allochtonen is nog iets ander dan je op straat naar die praatjes gedragen.

Kort gezegd komt het erop neer dat we in Nederland te maken hebben met een sterk groeiende jeugdcultuur die voortkomt uit een milieu dat traditioneel weinig openstaat voor allochtonen. En dat op een moment waarop de maatschappij ruimte geeft aan negatieve opvattingen over allochtonen en die opvattingen via internet in relatieve anonimiteit kunnen worden geuit. Opvattingen, waarmee drie jaar geleden nog slechts een enkeling te koop durfde te lopen, liggen nu open op straat.

 

Nationalisme

De belangrijkste drijfveer voor deze jongeren om naar hardcore house te gaan luisteren en zich in Lonsdale te hullen is het creëren van een identiteit. In de puberteit maken jongeren zich los van hun ouders en gaan ze op zoek naar een eigen identiteit. Daarbij identificeren ze zich het gemakkelijkst met (groepen) jongeren die op hen lijken. Gabber biedt nu dus een thuis aan blanke en over het algemeen lager opgeleide jongeren. Het feit dat jongeren zich het gemakkelijkst identificeren met jongeren die op hen lijken, houdt bijna automatisch in dat ze zich afzetten tegen andere, allochtone, jongeren. En die zijn ook met hetzelfde bezig. Beide groepen profileren zich en botsingen zijn het gevolg.

De trots van de Nederlandse gabbers op gabberhouse als puur Nederlands product heeft onder Lonsdale-groepen geleid tot een gevoel van trots op de eigen identiteit i.e. de eigen cultuur. Maar dat is dan meer een vorm van nationalisme, dan van werkelijk rechts-extremisme. Het gevoel van trots op het eigene is groter dan de afkeer van het andere. Het gevoel is te vergelijken met het nationalisme in Groot-Brittannië, waar de nationale vlag inmiddels een soort modeaccessoire is geworden.

Een vraag die zich opdringt is of rechts-extremistische partijen van deze ontwikkelingen gaan profiteren. Die vraag kan waarschijnlijk negatief worden beantwoord. Zoals het BNF in de jaren tachtig nauwelijks grip kreeg op de skinheads en CP ’86 en Stormfront in de jaren negentig nauwelijks grip kregen op de gabbers, zo is het onwaarschijnlijk dat partijen als de NNP en NNJ nu vat zullen krijgen op de Lonsdale-gabbers. Bij gabbers blijft feesten en plezier maken voorop staan. Dat is waar het bij gabbers om gaat. Daarbij staat ook het drank- en drugsgebruik van de gabbers aansluiting bij rechts-extreme partijen in de weg. Dergelijke partijen staan meestal zeer afwijzend tegenover middelengebruik. Dit neemt niet weg dat sommige Lonsdale-gabbers ongetwijfeld wél door zullen stromen naar de partijgelederen.


Consdaple

Interessant om te vermelden is dat in Duitsland een aantal kledingmerken wordt vervaardigd dat, in tegenstelling tot Lonsdale, wél expliciet bedoeld is om een rechts-extremistische boodschap over te brengen. De namen van deze merken laten weinig aan de verbeelding over: Patriot, Masterrace, Walhalla, Hate Core, Endzeit. Het bekendste merk is Consdaple. De vormgeving van de merknaam lijkt sterk op die van Lonsdale en als dit merk onder een open jack wordt gedragen, staat er wél NSDAP. De merknaam is in handen van een oud-functionaris van de NPD en de Republikaner. Voor alle duidelijkheid: het merk heeft niets van doen met de echte firma Lonsdale.

Verder bestaat er ook kleding met een bewerkte versie van het Fred Perry logo. Aan de lauwerkrans van Fred Perry is het cijfer ‘88’ toegevoegd. Een kenner zal in de cijfercombinatie direct de boodschap HH = Heil Hitler herkennen (de ‘H’ is de achtste letter van het alfabet).

Er zijn overigens wel meer cijfercombinaties met een dergelijke boodschap: 18 = Adolf Hitler; 311 = 3x11 = Klu Klux Klan; 25 = Blut und Ehre; 28 = Blood and Honour; 192 = Adolf is Back. Sporadisch wordt ook wel de kleding van het merk Helly Hansen voor dit doel misbruikt, omdat het logo bestaat uit de lettercombinatie ‘HH’.

 

Conclusie

Gabber is naast hiphop momenteel de belangrijkste Nederlandse jeugdstroming. Een deel van de Lonsdale-gabbers geeft af op allochtonen, spreekt vol bewondering over Pim Fortuyn en kickt op de skinheadfilm American History X, waarvan ze de antiracistische boodschap grotendeels missen of gewoon negeren. Maar dat een deel van de Nederlandse jeugd zich tegen allochtone leeftijdsgenoten afzet door kleding te dragen die door allochtonen mogelijk als discriminerend wordt ervaren, heeft toch vooral te maken met de zoektocht naar identiteit, die de jeugd eigen is.

 

 

De auteur is werkzaam als infomedewerker bij de afdeling Jeugdzaken en Geweld Binnenshuis van Bureau S.O.O., Politie Haaglanden