Gekruid geluid
Nieuws en agenda
Verdieping en achtergrond
Didactiek en methodiek
Beleid en strategie
Begeleiding en training
Feiten en cijfers
Prikbord
Adressen en links
Colofon



Feiten en cijfers
 

       
Tijdlijn (Nederlandse) transatlantische slavenhandel en slavernij
Gegevens
Overgenomen uit: Leren en Herinneren. Het Nederlandse slavernijverleden, kernleerplan 10-15 jarigen, J. Greven, Stichting Leerplanontwikkeling (SLO), 2005.
1441: Het begin van de Atlantische slavenhandel (in de Oude Wereld).
De slavernij is in Noord- en Noordwest Europa al enkele decennia afgeschaft. Het verdween in Holland, Engeland en Frankrijk tussen 1300 en 1500. Maar in Spanje en Portugal is hij nooit afgeschaft. Vanuit de Oudheid is er in het Middellandse-Zeegebied een ononderbroken traditie van slavernij geweest. Er is regelmatig sprake van handel in zowel zwarte als blanke slaven. Er zijn slavenmarkten in Sevilla, Venetië en Lissabon.

1492: De ‘ontdekking’ van Amerika.
Gedwongen tewerkstelling op plantages en in mijnen eist veel levens van indianen. Maar de meeste doden vallen door infectieziekten, meegevoerd uit Europa: pokken, mazelen en griep. Binnen een paar decennia is in sommige gebieden de oorspronkelijke bevolking vrijwel geheel verdwenen. Men gaat over tot het inzetten van Afrikaanse slaven. 

1494: Het verdrag van Tordesillas.
Spanje en Portugal verdelen bij dit verdrag hun invloedssferen. Een denkbeeldige lijn van noord naar zuid door het Atlantisch gebied verdeelt de wereld in een oostelijk deel, inclusief Afrika en het nog niet ontdekte Brazilië (Portugal), en een westelijk deel, de rest van Amerika (Spanje). 

1621: De oprichting van de Eerste West-Indische Compagnie.
De West-Indische Compagnie (WIC) houdt zich na haar oprichting vooral bezig met kaapvaart, koophandel en kolonisatie. Met slavenhandel laat men zich nog niet in. De Nederlanders zetten handelsposten op bij riviermondingen aan de Wilde Kust (het noordwesten van Zuid-Amerika). Belangstelling voor de slavenhandel is er nog niet of nauwelijks. Nog tijdens de oprichting van de WIC wordt de slavenhandel als immoreel betiteld. 

1630: De Republiek verovert Noordoost-Brazilië. 
Brazilië is een belangrijk suikerproducerend gebied. De WIC slaagt er in 1630 in om Brazilië op de Portugezen te veroveren. Daarmee verandert de houding van de WIC ten opzichte van slavernij en slavenhandel. Men is nu ineens belanghebbende vanwege de Braziliaanse suikerproductie. 

1634: De verovering van Curaçao.
De WIC heeft behoefte aan een maritiem steunpunt in het Caribisch gebied. Een paar decennia later is het een belangrijk depot voor de Nederlandse slavenhandel.

1637: De verovering van fort Elmina in Afrika.
Een expeditie die vanuit Brazilië wordt uitgezonden verovert het Portugese fort Sao Jorge da Mina (Elmina) op de Afrikaanse kust. De Republiek verzekert zich zo van een vaste bron van Afrikaanse slaven voor de suikerplantages in Brazilië. 

1654: De Portugezen heroveren Brazilië. 
Na het verlies van Brazilië vindt een snelle verbreiding plaats van de plantagelandbouw, met gebruik van slavenarbeid, naar andere Nederlandse, Franse en Engelse koloniën in het Caribische gebied. Door het verlies van Brazilië, moet de WIC nu andere afzetgebieden voor de slaven zoeken.

1658: Het begin van de snelle groei van de slavenhandel van de WIC.
De WIC groeit, dankzij haar Afrikaanse vestigingen en het eiland Curaçao, uit tot een belangrijke slavenleverancier voor de Spaanse koloniën. Vanaf 1658 vindt een snelle toename plaats van het aantal slavenreizen van de WIC. Curaçao wordt een belangrijke regionale slavenmarkt.

1667: De verovering van Suriname.
Nederland verovert de Engelse kolonie Suriname. Deze komt niet onder het gezag van de WIC maar van de Sociëteit van Suriname. In drie decennia verviervoudigt het aantal plantages tot 200. De WIC krijgt het monopolie op de aanvoer van slaven. 

1674: De oprichting van de Tweede WIC.
De eerste WIC wordt in 1674 geliquideerd en maakt een doorstart als Tweede of Nieuwe Compagnie.

1713: Het einde van de centrale positie van de slavenmarkt op Curaçao.
Er komt na de Spaanse Successieoorlog tamelijk abrupt een eind aan de centrale positie van Curaçao als regionale slavenmarkt. Tot 1700 worden tenminste 77.000 slaven door de WIC op Curaçao aangevoerd, tussen 1700 en 1716 ongeveer 16.000 en van 1716 tot 1730 ongeveer 3.000.

1721: De opkomst van St. Eustatius als slavenmarkt. 
In 1682 wordt St. Eustatius het eigendom van de WIC. Er komt zo af en toe een slavenschip naar dit eiland. Maar vanaf 1721 is het een decenniumlang een belangrijke leverancier van slaven voor de omringende Franse en Engelse koloniën. 

1730: Het einde van het slavenmonopolie van de WIC.
De WIC houdt alleen nog het monopolie van slavenhandel aan de Goudkust. Voorts behoudt de Compagnie alleen voor de vestigingen aan de Wilde Kust (tegenwoordig Suriname en de beide Guyana’s) het alleenrecht voor slavenleveranties. Maar in 1738 is ook dat voorbij. De resterende periode van Nederlandse slavenhandel is in handen van particulieren, zoals de Middelburgse Commercie Compagnie. 

1750: De slavenopstand op Curaçao.
Begin juli 1750 doet een grote groep met bijlen, geweren en kapmessen gewapende slaven een aanval op de WIC-plantage Hato. Er vallen 60 slachtoffers, waarvan één Europeaan. De overigen zijn slaven. Een groot aantal gevangen slaven wordt gruwelijk terechtgesteld. 

1760: Het eerste verdrag met de Marrons in Suriname.
Vrijwel vanaf het begin van de slavernij zijn slaven erin geslaagd om te vluchten. In de oerwouden weten ze permanente vrije gemeenschappen op te bouwen. Vanuit hun schuilplaatsen vallen deze Marrons plantages aan. Omdat het niet lukt hen met militaire middelen effectief te bestrijden wordt in 1760 een vredesverdrag gesloten.

1791: De slavenopstand op Saint Domingue (tegenwoordig Haïti). 
St. Domingue is een Franse kolonie, de Franse helft van het eiland Hispaniola (het huidige Haïti). De Franse revolutie leidt daar tot een gewapend conflict binnen de Europese groep. Aan beide zijden worden daarbij gewapende slaven ingezet. In 1791 beginnen de slaven voor hun eigen vrijheid te vechten onder leiding van Toussaint Louverture. De slaven slagen er vervolgens in verschillende expeditielegers te verslaan. Na meer dan tien jaar harde strijd roepen ze de eerste onafhankelijke zwarte staat in het Caribische gebied uit. 

1791: De opheffing van de Tweede WIC.
De WIC wordt in 1791 ontbonden na jarenlang verliesgevend te zijn geweest. In 1795 maakt de Franse bezetting een eind aan de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Daarmee komt tegelijkertijd een abrupt einde aan de Nederlandse slavenhandel. 

1795: De slavenopstand op Curaçao.
Op 17 augustus weigeren tientallen plantageslaven naar hun werk te gaan. Slaven van andere plantages sluiten zich bij de opstand aan. Na aanvankelijk succes wordt de opstand op 31 augustus neergeslagen. De twee leiders worden op gruwelijke wijze terechtgesteld, evenals 29 andere opstandelingen. Wellicht is de opstand geïnspireerd door de opstand in St. Domingue (Haïti). Pas na deze opstand wordt de eerste beschermende slavenwetgeving op Curaçao uitgevaardigd. 

1807: Engeland schaft de slavenhandel af.
Eind achttiende eeuw groeit het verzet tegen de slavernij, vooral tegen de slavenhandel. Engeland vaardigt in 1807 een algeheel verbod op de slavenhandel uit. De Verenigde Staten volgen in hetzelfde jaar. Overigens hadden Denemarken en Zweden dit al eerder gedaan. 

1814: Nederland schaft de slavenhandel af.
De afschaffing van de slavenhandel in 1814 heeft geen erg groot draagvlak. Nog in ditzelfde jaar gaan er stemmen op om de slavenhandel te hervatten in het belang van de koloniën. Overigens, na dit jaar zijn nog enige tienduizenden Afrikanen illegaal naar en via het Nederlands Caribische gebied verhandeld. 

1816: Engeland geeft koloniën terug aan Nederland. 
Pas in dit jaar worden de Caribische koloniën, met uitzondering van Berbice, Demerara en Essequibo, door de Engelsen aan Nederland teruggegeven.

1830: Portugal schaft de slavenhandel af.

1834: Engeland schaft de slavernij af.
Engeland is het eerste land in Europa dat de slavernij afschaft.

1848: Frankrijk schaft de slavernij af.
De afschaffing van de slavernij door Frankrijk heeft repercussie in de Nederlandse koloniën. De slaven op het Nederlandse deel van St. Maarten komen in een bijzondere positie terecht. Zij hoeven alleen maar de grens naar het Franse deel over te steken om vrij te zijn. 

1863: Nederland schaft de slavernij af.
Nederland volgt Engeland met de afschaffing van de slavernij pas na dertig jaar. Er was hier geen sterke anti-slavernijbeweging. In Nederland is men geneigd de afschaffing van de slavernij als een te radicaal idee te zien. En in Suriname verwacht men rampspoed en een gevaarlijke situatie voor de samenleving. Maar op 8 augustus 1862 neemt het parlement een wetsontwerp aan dat bepaalt dat op 1 juli 1863 de afschaffing van de slavernij een feit zal zijn.

1873: Het einde van het Staatstoezicht.
Met de afschaffing van slavernij zijn de Surinaamse slaven nog niet onmiddellijk volledig vrij. Om te voorkomen dat ze niet massaal weglopen van de plantages wordt een overgangsperiode ingesteld. Gedurende niet minder dan tien jaar geldt een overgangsperiode, het zogenaamde Staatstoezicht. In deze periode worden de slaven verplicht op de plantages te blijven werken. Ze ontvangen daarvoor nu overigens wel een loon.