| Deskundige van de maand, Carola Eijsenring,
consulent onderwijs en projectleider van diverse provinciale
Pabo-projecten bij Palet, steunpunt voor multi-culturele
intwikkeling in Noord-Brabant, beantwoordt de drie vragen van TIJM:
1. Welke vraag hoop je nooit meer te krijgen?
De ‘missionarisvraag’. Hoe kunnen we
allochtonen helpen? Als men zelf hulp of ondersteuning vraagt
bij het doorlopen van school of studie, okay. Als vanuit
school of opleiding blijkt dat een steuntje in de rug nodig
is, prima. Dan hebben we het over functionele hulp. Maar dan
voor iedereen die het kan gebruiken, ook dialectsprekende
autochtonen bijvoorbeeld en niet vanzelfsprekend ŕlle
allochtonen. Maar als ‘gevestigden’ ‘buitenstaanders’
willen helpen zich aan te passen aan Nederlandse normen en
waarden, whatever they may be, begint het te ruiken naar
spiegeltjes en kraaltjes. Omdat het eenzijdig is, omdat het
veronderstelt dat nieuwkomers zich zullen moeten voegen in een
bestaand stramien en dat de ontvangende samenleving zelf
buiten schot blijft, ‘goed’ is, zoals hij is. En dan wordt
het gevaarlijk. De arrogantie van de ‘goede herder’ die de
‘zielige slachtoffers’ helpt zo geruisloos mogelijk op te
gaan in een maatschappij die zichzelf bij wijze van spreken
heilig verklaart. Dat gaat voorbij aan de gecompliceerde
werkelijkheid waarbij we elkáár nodig hebben, waarbij
verandering een gegeven is en noodzakelijk, waar alle partijen
zullen moeten zien samen te werken. Daarvoor is een open
houding nodig, bereidheid te willen horen wat de ander vindt,
meemaakt en vraagt. In een tweezijdige communicatie.
2. Welke vraag hoop je eindelijk eens voorgelegd te krijgen?
Wil jij ons vertellen wat jou opvalt in
Nederland, hoe je tegen het Nederlandse onderwijs aankijkt,
welke mogelijkheden tot samenwerking je ziet? Kun je ons een
spiegel voorhouden en ons helpen open te staan voor de grote
diversiteit waarmee we dan geconfronteerd worden, de
tegenstrijdigheden die naast elkaar bestaan, de meerduidigheid
van wat er leeft onder mensen die in Nederland een nieuw
vaderland hebben gevonden. Vragen dus in plaats van
clichéveronderstellingen. Vanuit de wens elkaar te leren
kennen, gemeenschappelijke punten op te sporen en verschillen
van inzicht te gebruiken om het eigen gedachtegoed aan te
scherpen.
3. Welke vraag zou je zelf willen stellen?
Stel je voor dat je door omstandigheden buiten
je om opeens terechtkomt in een volslagen vreemde samenleving.
Hoe zou jij je daar redden? Wat zou jij belangrijk vinden om
te doen, te laten, te leren? Wat doe je met jouw oude
vertrouwde manier van doen, van kijken, van omgaan met elkaar?
Pas je je aan? Waarin wel, waarin niet en waarom? Wat doet
pijn? Hoe kritisch ben je naar jezelf? Naar de ander? Herken
je je eigen stereotiepen en hoe ga je daarmee om? Heb je het
bijvoorbeeld over het ‘taaltje’ dat voor jou
onverstaanbaar is? Zie je gastvrijheid als overdreven ‘onderdanigheid’?
Of durf je daar onbevangen naar te kijken? Wanneer botsen jouw
waarden met die van je omgeving en wat doe je dan? Wat geef je
je kinderen mee en waarom?
Misschien lijken we meer op elkaar dan we denken!
|